In de laatste week van de zomervakantie fietste ik van Beilen naar Hardenberg. Ik kwam – bewust – door Hoogeveen. Daar wilde ik graag nog een keer naar de Oosterkerk. Het was de plek waar ik ooit besloot om theologie te gaan studeren. Ik zal zo vertellen hoe ik dat besluit nam, of misschien wel hoe het besluit mij nam. Het was een schok toen ik aankwam. Ik zag een paar mannen druk doende en vroeg of ik even binnen mocht kijken. Dat mocht…. Ik zag dat ze bezig waren alle banken eruit te halen. Het was de bedoeling om de kerk kleiner te maken: er komen steeds minder mensen. Maar of de verbouwing wel door zou kunnen gaan met al die oplopende bouwprijzen…. Er zijn al meer kerken gesloten en afgebroken in Hoogeveen. Vroeger heette Hoogeveen “het Jeruzalem van het noorden”. Die tijd is voorbij. En waar worden geen kerken gesloten?

Het is 1980. Ik ben 18 en zit in 6 VWO. Examen dus. Ik weet niet wat ik moet gaan studeren. Psychologie? Lijkt me wel wat! Geschiedenis? Vind ik een leuk vak, ik heb inspirerende leraren. Duits, Engels? Ik ben goed in talen. Wiskunde zeker niet. Waar anderen een wiskundeknobbel hebben heb ik een wiskundekrater. Maar ik weet eind 6 VWO nog steeds niet wat het zal gaan worden. Dan wordt het zondag 4 mei 1980, 17.00 uur, de Oosterkerk. Mijn vader zal weer voor het eerst voorgaan als predikant in Hoogeveen. Dat zit zo: hij was best heel getalenteerd. Dat is mazzel, als je dat hebt, krijgt. Tegelijk legde hij de lat te hoog: hij moest en zou iedereen helpen. In de theologie heet het “Messiascomplex”. Maar er is écht maar één de Messias en mijn vader was het niet. Om dat gevoel van falen en tekortschieten te verdringen was hij veel te veel gaan drinken. Jarenlang. Sinds mijn 14e ben ik er bewust bij betrokken en bepaalt het ons leven dag aan dag. Hij was gelukkig nooit agressief, maar het was een kwestie van telkens weer beloven van  “ik stop nu echt” en “we vonden weer drank en merkten weer dat hij teveel had gedronken” en dat riedeltje veel te vaak. We – mijn moeder en ik, zussen broers had/heb ik niet – verloren ons vertrouwen. Rotte rottijd, laat ik het zo maar samenvatten. Bijna niemand in de buitenwereld wist het. Totdat een collega van mijn vader – Hedman Bijlsma, ik noem zijn naam nog altijd in dankbaarheid – de kat(er) de bel aanbond. Hij confronteerde mijn ouders, hij mobiliseerde de kerkbesturen: kerkbesturen, ds. Van der Wel is verslaafd. Dat is een ernstige ziekte. Laten we hem uitnodigen/stimuleren zich te laten behandelen, grondig! Lukt hem dat, dan komt hij genezen terug. Opnieuw in de kerk. Maar we dwingen hem ook om aan zichzelf te gaan werken.

Ergens in februari 1979 gaat hij naar Hooghullen, een afkickkliniek in Eelde. Wij mogen hem de eerste drie maanden niet zien, hij ons ook niet. Het wordt in alle toenmalige Gereformeerde Kerken van Hoogeveen afgekondigd: ds. Van der Wel heeft een alcoholprobleem en hij laat zich behandelen. Als hij genezen is, komt hij terug…. Dat was natuurlijk dubbel: weet half Hoogeveen – want half Hoogeveen was gereformeerd – dat je vader een alcoholprobleem heeft en dan krijg je een weeklang praatjes. Aan de andere kant was er vooral ook de opluchting: je hoeft niet meer geheimzinnig te doen, schijn op te houden. En er is hoop: misschien wordt het wel weer normaal thuis. Hoe heerlijk zou dat zijn!

Het wordt een heel hard en leerzaam therapiejaar voor hem. Hij krijgt zichzelf terug, mijn moeder haar man, ik mijn vader. En op 4 mei 1980 gaat hij dus voor het eerst weer voor, om 17.00 uur. Dan ook al is ontkerkelijking een gegeven. Normaal zitten er in de kerk ca. 140 mensen in de middag. Nu is die bomvol. En als mijn vader binnenkomt – ik hoor het nog en krijg er nog kippenvel van – is er een daverend applaus. Dat leert mij wat gemeente van Christus kan zijn, zonder dat ik dat dan precies kan verwoorden als 18 jarige. Maar gewoon: als een mens kwetsbaar is, feilbaar, daar eerlijk over wordt, dat je daar dan aan mag werken en zó weer welkom bent, als dát gemeente is, dan wil ik daar wel bij horen. Aandacht voor wie het om wat voor reden zelf (even) niet redt. Hij houdt een preek over Jakob uit de bijbel die zijn familie bedonderd heeft, zijn vader en zijn broer. Die daarbij een nieuwe kans krijgt van God, die in een droom aan Jakob – bedriegertje betekent het – verschijnt. Die preek ging over Jakob. Maar ook over hem en over ieder die soms zichzelf of anderen ernstig teleurstelt en beschadigt en op z’n bek gaat. Ik snap die preek op dat moment ook niet precies. Ik weet dan sowieso  eigenlijk niet of ik wel geloof. Maar ik voel aan alles, hoe belangrijk God voor hem en die mensen in de kerk was. Dat was het moment dat ik besloot theologie te gaan studeren. Ik heb er nooit spijt van gehad en ben langzamerhand gaan ontdekken wat er zo mooi aan geloven aan God, aan de kerk kan zijn. Ook hoe kerk niet mooi kan zijn, of zelfs God in de weg kan staan. Vooral als de kerk oordeelt, of de kerkmensen dat doen. Maar ergens die basiservaring van dat kwetsbare mensen niet worden afgebrand maar een kans krijgen met barmhartigheid…. Dát is het! Nog altijd!

Daarom raakt mij het zo, dat die banken eruit worden gesloopt. Het is natuurlijk mijn eigen pijn: hoop ik de kerk te bezoeken, die een kentering bracht in zijn (mijn vaders) en mijn leven, tref ik ontmanteling van de kerk aan. Maar het is meer dan dat. Ik weet niet hoe lezers van dit stukje onze samenleving in deze tijd beleven. Ik ervaar het als hard. Kille harten, gebrek aan warmhartigheid. Een overheid die mensen in de kou zet – toeslagen, Groningen, boeren – . En niet in staat lijkt het op te lossen. Maar ook mensen die hard zijn naar elkaar. Elkaar doodwensen, op facebook of andere (a)sociale media elkaar de meest nare dingen toewensen. Een ander bedreigen…, dood (!!!!) wensen? Zou je dat nou ook doen, denk ik dan, als je die ander echt voor je ziet, letterlijk? Met kwetsbare ogen enzo? Nu is het veel te kort door de bocht  om te zeggen dat omdat nu de kerken leeglopen er verharding optreedt. Alsof kerken en de mensen – en de voorgangers – erin in het verleden én heden niet zelf bijdroegen aan oordeel en afwijzing. Maar dat is niet het enige wat er in kerken gebeurde en gebeurt. Er gebeurde ook dit: als je geregeld met een soort van paplepel ingegoten krijgt, dat je een ander hoger moet achten dan jezelf, dat je elkaars zwakheden aanvaardt, de mens achter het verhaal moet zien en niet moet oordelen, omdat God barmhartigheid vraagt, dan heeft dat een positief effect. Je wordt er door beïnvloed in je leefstijl. Je oordeelt minder snel en hard, je weet je eigen zwakheid en waarom zou je dan een ander afbranden? Met welk recht? Maar als die verhalen over warmhartigheid niet meer met de paplepel binnenkomen…, dan krijgt de verharding wel meer kans. Met succes, zie ik om me heen.

 Ik heb het voor mijn ogen zien gebeuren en werken, effectief, daar in die Oosterkerk…..  Hoe mildheid wonderen kan doen. Ik zou ons die mildheid in ons land heel graag gunnen….

Ik ben niet de enige, zo merk ik om me heen. Er zijn meer mensen die last hebben van “veel slecht nieuws in de media”. Net een soort van miezerregen waar je langere tijd inloopt. In het begin heb je er nog niet zoveel last van, maar dan gaan de druppels op je bril zitten en wordt je blik minder helder. En dat gemiezer gaat langzamerhand ook in je kouwe kleren zitten die er nat van worden. Je blijft het maar voelen. En erover nadenken. Bosbranden, droogte, lage waterstanden in de Rijn, gasprijzen die gigastijgen, mensen die niet kunnen rondkomen, oorlog die maar duurt, China dat Taiwan bedreigt na een bezoek van mevr. Pelosi, mensen die elkaar bedreigen met de dood in Nederland via social-media omdat ze een andere mening hebben, boeren die boos zijn, natuurorganisaties die vinden dat er vooral doorgepakt moet worden, het klimaat dat echt laat merken dat het menens is enz, ruzie over vluchtelingen. Ik kan nog ff doorgaan, maar dat wil ik juist niet. Want dat is meer misèremiezer.

Normaal – maar wat is sinds een paar jaar nog normaal – is het ergens in juli/augustus komkommertijd qua nieuws. Media zoeken dan naar nieuwsonderwerpen omdat de hele wereld op vakantie is. En dan krijg je van die prettige onderwerpen als weggevlogen papegaaien en jongeren die dronken in het water vallen en daar weer nuchter worden. Maar niks geen komkommernieuws, alleen kommer en kwel. Ik volgde het nieuws vaak en veel tot voor kort. In de morgen een krant en teletekst. En sinds je dat makkelijk op je mobiel kunt vinden dan ook overdag regelmatig een portie nu.nl, afgewisseld met nos.nl enz. Bijna haast als een soort verslaving. Zoals een roker in een onbewaakt moment naar het pakje sigaretten grijpt om maar wat te doen te hebben. Tussen de middag dan vaak ff om 1 uur journaal kijken, daarna om 6 uur nog een keer, 8 uur weer en dan nog ff nieuwsuur om 21.30 uur. Afgewisseld met gezellige discussies op facebook over buitenlanders, boeren enz.

Dat was dus een overdosis. Nieuwsobesitas. En ik dacht: hoe los ik dit op? In mijn werk heb ik vaak en veel te maken met verdriet: gemis van mensen die gestorven zijn, kapotte liefdes en gebroken harten, mensen op zoek naar zichzelf en God, ruzies. In het begin lag ik er wakker van. Ging ook dat leed in de kleren en de pyjama zitten. Van dat wakker liggen werd ik niet beter en de mensen van wie het leed was ook al niet. Sterker nog, mijn gezinsleden hebben ook niks aan mij als ik loop te somberen over dingen waar ik toch niks aan veranderen kan. Gaandeweg heb ik geleerd om het los te laten. Ja, dat heeft ook te maken met geloven bij mij. Mensen toe te vertrouwen aan God. Een beetje zoals een paus die de eerste nacht dat hij gekozen was geen oog dicht deed vanwege zorgen over een miljard (da’s veel!) gelovigen. En de volgende nacht deed hij zijn mijter – pausmuts – af en zei: God, het is uw kerk, niet de mijne. Houdt U de wacht dan ga ik lekker slapen. Hij sliep als een roos. Ik leerde: als ik mensen help door de hele nacht aan ze te liggen denken dan blijf ik de hele nacht wakker. Maar helpt het niet, dan ga ik lekker slapen en ben ik prettiger gezelschap voor mezelf en mijn omgeving én de mensen die op me zitten te wachten.

En dat bracht me op de gedachte om hetzelfde te doen maar dan anders: ik heb mezelf gewoon op nieuwsrantsoen gezet en ben op teletekstdieet gegaan. Da is écht goed voor het humeur en de stemming, merk ik. In de morgen kort een krant, één journaal per dag, buiten lekker een ontbijtje en facebook minimaliseren. Na een paar weken dieet wordt het gewicht van het nare nieuws minder, ikzelf lichter. Alle ellendige dingen worden opnieuw niet anders als ik er veel mee bezig ben. Ik word er wel anders van als ik er minder mee bezig ben. Als er dan geen komkommertijd is dit jaar dan maar wél zorgen voor minder kommer en kwel…..  Word ik een stuk gezelliger van en daar wordt mijn eigen omgeving een beetje beter door.

Let op de viooltjes….

Niemand kan kiezen waar h/zij geboren wordt. Niet in welk land, niet in welk gezin. In de regel kijken we zo tegen het leven aan dat je als je én in een welvarend land waar mensenrechten worden geëerbiedigd én in een stabiel gezin groot groeit, je de beste kansen hebt om uit te groeien tot een evenwichtig mens, die een behoorlijke kans van slagen heeft. Groei je op in een arm land waar weinig onderwijs is…, groei je op in een niet stabiel gezin, dan sta je in onze ogen al vaak met 2-0 achter.

Niemand kan ook voorspellen hoe je leven verder gaat na je jeugd. Tref je een levenskameraad? Word je daarmee gelukkig? Krijg je kinderen en hoe gaat het daarmee? Lukt het je om werk te vinden dat bij je past? Komen er tegenslagen op je pad? Hoe ga je er dan mee om? Kun je dat als het leven tot nu toe voor de wind ging? Of is het dan bijvoorbeeld zo dat de mens die in zijn/haar jeugd al veel tegenslag heeft gehad weerbaarder is dan degene die de wind altijd in de rug had? Omdat die gewend is aan tegenslag en dat het leven niet alleen maar over rozen gaat.

Dit viooltje had pech. Het komt voort uit een zaadje dat ergens tussen de waaltjes in onze achtertuin is terechtgekomen. Dat is lastig groeien. Je moet je door stenen heen naar boven wurmen en als dat gelukt is moet je je worteltjes diep laten zakken om voldoende water te putten om te overleven. Een tijdlang is dat gelukt. Met verwondering heb ik daarnaar gekeken. Met bewondering ook. Gerda, mijn vrouw, heeft groene vingers. Op onze tuintafel staan ook viooltjes. Die bloeien nog. Ze zijn dan ook zorgvuldig door Gerda in een bloempot gestopt, als het droog is krijgen ze van haar water en hun wortels hebben het makkelijk in goede aarde. Hun mogelijkheden zijn veel ruimer dan die van het viooltje achter ons huis. Maar als ik goed keek waren ze niet mooier dan de bloemetjes aan het viooltje achter ons huis.

In volle bloei!!!!

Maar toen ging het ineens snel en was het in een paar dagen voorbij. Je zag dat het niet goed ging. Hoe het kwam? Te weinig water kunnen putten tussen de tegels? Of niet genoeg voeding uit de aarde kunnen halen? De worteltjes te kort? Hoe ook het is voorbij en is er niets meer over dan een verschrompeld plantje. Maar het zou veel te kort door de bocht zijn om te zeggen dan het dus geen goed leven heeft gehad. Want al die tijd heb ik een viooltje gezien dat tegen de klippen op groeide en er zaten prachtige bloempjes aan. Het leefde voluit binnen de beperkingen de mogelijkheden.

En toen was het voorbij…..

Leven is grillig. Misschien worden we ons daar in ons tot nu toe behoorlijk welvarende en voorspelbare westen meer bewust van. Corona gooide (en nog?) ons leven op de kop, de wereld warmt nu echt op, vliegen wordt problematischer, boeren ook al. En zelfs is het niet meer zeker of we in de winter wel voldoende warm worden. Is er wel gas? Moeten de Groningers toch weer meemaken dat er gas gewonnen gaat worden en hun omgeving daarmee onveiliger wordt? En kunnen we het gas én de boodschappen wel betalen? Er zijn al zoveel huishoudens in de problemen, om van de mensen in de toeslagenaffaire maar niet te spreken. Basale dingen die we als vanzelfsprekend ervoeren lijken dan plotseling niet meer te zijn. Hoe zal het met onze weerbaarheid zijn, ons vermogen daarmee om te gaan? Raken we gestresst? Gaan we protesteren? Komen we tegenover elkaar te staan? Vinden we veerkracht en middelen om elkaar te helpen?

Ooit was ik in Roemenië, Rastolita. Daar was het arm. Straatarm, maar zeer gastvrij. We waren er met een uitwisselingsweekend vanuit de kerk. We sliepen bij mensen die zeer weinig te makken hadden. Ze moesten koken op een fornuis dat verwarmd werd met hout. In de zeer vroege morgen stond een vrouw van 78, Suzanna,  hout te hakken voor haar gezin en ons. Zelden zag ik warmere ogen, nooit werd ik hartelijker ontvangen dan daar. Alles werd uit de kast gehaald – en er zat niet veel in de kast, maar wat erin zat werd gedeeld. Wij hadden geld en andere spullen waar we hier veel van hadden meegenomen voor hen. Dat deelden we dus met hen. Zij gaven op hun beurt hartelijkheid en op een bepaalde manier voelde wat wij meebrachten armetierig bij wat zij ons gaven.

Mensen worden daar gemiddeld gesproken veel minder oud dan wij hier. Om over het gemiddelde inkomen maar niet te spreken. Ik zag er ook mensen die NIET met de situatie konden omgaan, zoals ik die hier ook tegenkom. Tot en met de vrouw van de multimiljonair die haar halve leven somber was. Maar in de verte doen Suzanna en haar gezin me denken aan het viooltje tussen onze waaltjes. Levenskunst is niet hetzelfde als heel rijk worden en misschien ook wel niet heel oud. Levenskunst is vooral omgaan met de situatie waarin je geboren bent en waarin je leeft om daarin te bloeien. Precies op die plek gedurende de tijd van je leven. In het nu. Niet met “vroeger was het beter” – want dan sla je het nu over. Niet met “het zal wel beter worden” – want dan leef je in de toekomst en sla je het nu ook over. Ergens doet Jezus een oproep – het is in de bergrede, met als centrale, pittige en heilzame opdracht “behandel de mensen zoals je zelf behandeld wilt worden – “let op de leliën/viooltjes op het veld. Ze zaaien en maaien niet. Ze maken zich ook geen zorgen. In al hun eenvoud zijn ze mooier dan de mooiste koning. Ze leven in vertrouwen dat God ze voedt. Als mens ga je zo’n bloemetje te boven in de ogen van God. Zoek God als eerste en leef in vertrouwen dat elke dag genoeg heeft aan zichzelf. En probeer dus in ALLE omstandigheden anderen te behandelen zoals jezelf behandeld wilt worden. Wat er ook gaat gebeuren in het grote leven in de maatschappij en in ons persoonlijk leven, ik gun ons iets van de levenswijsheid en het vertrouwen toe van Suzanna en het viooltje tussen de waaltjes.

Ik heb veel aan mijn hoofd: ik kan er mee denken, er zitten twee oren aan waarmee ik kan horen. Met oren, hart, hoofd en de hersenen erin kan ik proberen mensen te begrijpen. Ik heb ook veel aan mijn hoofd op een andere manier: veel verhalen van mensen, zorgen. Ik heb het mooiste werk van de wereld en het is ook pittig. Daarom heb ik vaak een vol hoofd en is een “leeghoofd” voor mij niet een benaming van iemand die dom is, maar van iemand die zijn of haar hoofd wat tot rust brengt. Soms doe ik dat fietsend. Deze zaterdag nog, van Dalfsen naar Hardenberg in m’n eentje. Of misschien fietst God soms ook wat mee. Harry Mulisch zei ooit “mijn ziel gaat niet harder dan 15 km. per uur”. Zoiets is het:  je hoofd leegfietsen. Op fietse à la Daniël Lohues.

Je herkent ze direct: Duitsers en hun kinderen als ze in Nederland zijn en aan het fietsen. Ze dragen allemaal fietshelmen. Van kind tot en met volwassene. Dat is in Duitsland niet verplicht. Maar onze oosterburen zijn heel goed bij en voor hun hoofd: je kunt nl. ontzettende ongelukken krijgen als je met je hoofd op de grond valt bij een fietstocht. Een ongeluk zit in een klein hoekje. Bij mij nog een klein beetje groter want mijn hoofd wordt leger als ik met mijn handen los fiets. Ultieme vrijheid. Net als hangen in een hangmat en dobberen in zee. Dat doe ik soms dus “met losse handen”. Niet de hele tijd, want ik heb mijn hoofd er verder goed bij, maar op rechte stukken zonder tegenliggers….. Op mijn 8e viel ik voor het laatst, fietsend zonder handen aan het stuur. Dus ik weet wel een beetje wat ik doe. Maar dom is het natuurlijk wel enigszins. Zeker omdat ik ouder word en elektrisch rijd en er gemiddeld net wat meer ongelukken met ouderen gebeuren op zo’n fiets. Net als Willem Alexander dus ook “een beetje dom”. Zoals roken en bungeejumpen dat zijn. Wij mensen zijn een mengeling van slimheid en domheid en nog veel meer door elkaar. Complexe maar in de grond van de zaak lieve wezens, ieder met onze eigen verhalen en gevechten en vreugden.

Toen we laatst in Duitsland waren heb ik het gedaan: een fietshelm kopen! En sinds die tijd fiets ik op langere stukken met zo’n helm op mijn hoofd. Direct toegegeven, ik vind – ik hoop jullie ook – mezelf charmanter zonder dan mét helm. Ik voel me dan ook een soort Willempie mét helm. Maar naar mate ik langer fiets denk ik: toch zijn die Duitsers – de wijzen wonen in het oosten – klug im Kopf. En daarom word ik steeds vaker Wil-helm dan Willempie. En misschien daarmee een klein beetje trendsettend?

Samenloop vóór hoop en tégen kanker….

Op 12 en 13 juni zal in het park bij de Kruserbrink voor de tweede keer een “Samenloop voor hoop” worden gehouden. Dit is een actie die is bedacht is door het KWF en de opbrengst van de actie gaat naar onderzoek hoe kanker (nog) beter kan worden bestreden. Kanker is in zekere zin volksziekte no. 1 in ons land. Van alle mensen die overlijden overlijdt 31% t.g.v. kanker.

Als predikant kom ik er vrijwel wekelijks mee in aanraking. Vorig jaar overleden in de wijk waar ik werk – Baalder – 9 mensen, 3 ervan stierven aan kanker. Het optrekken met mensen die te horen krijgen dat er geen hoop meer is, het bezoeken van hen en hun familie, iedere keer weer raak ik diep onder de indruk van wat die ellendige ziekte aanricht. En daarbij hoe ingrijpend het sterven voor iemand is die nog graag leeft, hoe ingrijpend het sterven is voor de mensen die achterblijven. Het zijn breuken in het leven, die heel hard aankomen.

Gelukkig is het aantal mensen dat geneest stijgend. Zo is het aantal vrouwen dat herstelt van borstkanker toegenomen van 52% in 1955 naar 88% in 2017. Maar dat neemt niet weg, dat het voor mensen die de ziekte krijgen én hun omgeving enorm spannend is: het “k-woord” in míjn lichaam, in mijn leven! Wat betekent dit? Mensen gaan door talloze angsten heen en zeker zolang er onzekerheid bestaat over kansen op herstel – of juist niet – vliegen de scenario’s van “het komt vást goed tot aan dit wordt einde verhaal” door je hoofd en je hart heen. Vooral in de nacht, hoe kan het dan spoken! Als de behandeling dan eenmaal volgt kom je waar je kort daarvoor  nog “een gezond mens” was opeens aan de rand van de samenleving te staan en beland je in een wereld van ziekenhuizen en allerlei behandelingen. Je wordt patiënt, wordt ziek, moet behandelingen ondergaan. Als die behandelingen zijn afgerond heb je hersteltijd nodig, zowel voor je lijf – want chemobehandelingen en bestralingen hebben forse hersteltijd nodig – als voor je ziel: kun je weer vertrouwen krijgen in je leven? Kun je leven met het gegeven dat je een ernstige ziekte hebt gehad, m.a.w. dat je fors geconfronteerd bent met je eigen sterfelijkheid? Met telkens om de drie, zes maanden weer zo’n controle, die ergens iets van een “dag des oordeels” heeft? Is die smerige sluipmoordenaar niet teruggekomen? En kan je gezin – als dat er is – weer in evenwicht komen na de onrust en onzekerheid die achter je ligt?

Kortom, hoe ingrijpend is deze rotziekte!!! Voor patiënten, voor hun gezinnen en geliefden. Eigenlijk is het iets dat ieder van ons aangaat: omdat 31 procent van alle mensen sterft aan de ziekte  zal er daarom niemand zijn die ergens niet vlakbij – in je gezin, in je straat, in je familie, in je vriendenkring – met de ziekte is geconfronteerd. Hetzij dat er iemand  is die de ziekte had en genas, hetzij dat er iemand was die eraan overleed. Hetzij omdat er iemand is die nú ziek is. Dat maakt dit evenement ook zo waardevol: samen lopen, samen hopen tegen iets dat in ieders leven voorkomt. En iedereen kan meedoen: óf lopen óf kijken óf sponsoren óf gewoon praten en delen. Het is letterlijk en figuurlijk om de hoek: in het park.

Samenloop ván omstandigheden

Ik kom ook. Met de kennis van nu had mijn vader in 1983 niet aan keelkanker hoeven te sterven, toen hij 55 en ik 21 was. Hij was – zoals zoveel mannen in die dagen – een forse roker. In de jaren ’70 begon het net wat tot ons door te dringen dat roken bar slecht was voor je gezondheid. En hij was jarenlang verslaafd aan alcohol en daar is hij na een jaar therapie grandioos afgekomen. Relaties in ons gezin waren daardoor hersteld. Na anderhalf jaar trad er een tumor onder zijn tong op. Zoek op internet naar zeer waarschijnlijke oorzaken van tongkanker en je komt telkens de combinatie van én roken én overmatig alcoholgebruik tegen. Hoewel het niet 100% hard te maken is, is de tumor van mijn vader dus zeer waarschijnlijk veroorzaakt door die combinatie. Hoe wrang: heb je eerst de demon van een alcoholverslaving verslagen, word je daarna gepakt door volksziekte nummer 1. Wat ik voor hem – en mijn moeder, broers en zussen heb ik niet – met de kennis van nu fijn vind: toen hij overleed werd het verband tussen alcohol/nicotine en de tumor waaraan hij overleed nog niet gelegd. Zij hebben het idee gehad dat hij de alcohol had verslagen en daarna gruwelijk pech kreeg. Die gedachte vind ik voor mijn ouders veel fijner, dan dat ze weten wat ik nu weet met de kennis van nu:  een intens droevige samenloop van omstandigheden heeft ons leven diepgaand beïnvloed.

Roken is voor mij dus vanuit mijn verleden altijd uit de boze geweest. Want dat wisten we sinds de jaren 70-80: roken verhoogt écht de kans op heel ernstige ziekten. Je zult me overigens nooit beschuldigend horen praten of wijzen naar mensen die roken en kanker krijgen. Of ander ongezond gedrag vertonen, waardoor je extra risico loopt. De ziekte is veel te erg om met wat voor soort beschuldigende vinger te gaan wijzen naar degene die eraan lijdt. En soms wéét je sommige dingen dus ook gewoon écht niet. Een concreet voorbeeld: alcohol was voor mij jarenlang iets van “geniet, maar drink met mate”. Het belangrijkste risico van alcohol zat in de kans op verslaving en niet in gezondheid. Dus dronk ik na mijn werk regelmatig een wijntje of een juttertje. Of 2 of 3. Niet meer. Want ik ken de risico’s van huis uit. Van de verslaving, maar ook van het overmatige. Ik denk dat ik de enige niet ben.

Dat blijkt dus – voortschrijdend wetenschappelijk inzicht – te beperkt. De Gezondheidsraad – het adviesorgaan van de regering – raadt alcohol gewoon af. Drink het niet, hooguit één glas per dag en dan liefst per week twee dagen niet. Reden onder andere: alcohol verhoogt dus ook bij weinig gebruik de kans op kanker. Een boekje van René Kahn, die jarenlang deel uitmaakte van die gezondheidsraad  – op je gezondheid, zo heet het – gaf mij een forse wake-up-call. Er staan fikse gegevens in: alcohol is verantwoordelijk voor 12,5% van alle gevallen van kanker; één op de tien gevallen qua borstkanker heeft alcohol als oorzaak. Een derde van de sterfgevallen van darmkanker is te wijten aan 1,5 glas alcohol per dag. Nou ja, en dat soort cijfers hebben mij toch zodanig aan het denken gezet dat ik inmiddels een forse afnemer ben geworden van perensap. Had ik nooit gedacht! En van tijd tot tijd – binnen de marges van de gezondheidsraad – een keer een wijntje of een juttertje.

Samen hopen, samen lopen….. Zo zal het ergens wel blijven: telkens verder op zoek naar hoe je die rotziekte onder de duim krijgt. Geld inzamelen voor het KWF, zodat er meer onderzoek komt om hoe je die sluipmoordenaar geneest, maar ook de kans kunt reduceren dat deze in je leven komt door gezond eten en drinken. Elkaar steunend en stimulerend en troostend. Met voortschrijdende kennis om die ziekte te bestrijden én te voorkomen. Ik sponsor mee en kom kijken, samenlopen en samen hopen tegen de ziekte.

Gewoon omdat het kan…..

Ik probeer me wel eens voor te stellen dat mijn in 1983 overleden vader plotseling bij mij de oprit opstapt. Als we eerst een enorme hug hebben gedaan, gaat hij zijn ogen uitkijken. Hij ziet een rode, kleine Toyota staan. Dat roept herkenning op! In 1981 koopt hij zijn bruine Starlet en is er supertrots op. Dan ziet hij ook onze Peugeot 308 staan. “Van wie is die?” “Van mij, pa, ze zijn allebei van Gerda en mij”. “Hoe krijg je dat voor elkaar, je bent toch dominee, net als ik was?” “Klopt pa”, zal ik zeggen, maar Gerda werkt ook en er zijn veel mensen die twee auto’s hebben. Gewoon, omdat het kan….”

Hij ziet ons huis. Ik zie hem denken. Dat hebben ze goed voor elkaar. “Nou, jongen, de kerk heeft een mooi huis voor je gekocht….”. “Eh, pa, het is van onszelf, tegenwoordig hebben veel van jouw en mijn collega’s een eigen huis, maar kom gauw verder!!!” Ik maak hem koffie met een Senseo-apparaat, terwijl hij rondbanjert door ons huis. Mijn studeerkamer vindt hij bere-interessant, want er staan nog veel boeken die ik van hem heb. Hij ziet er ook een vreemd zwart scherm staan met een bijzondere doos ernaast. En verder een typmachine zonder lint erin. Ik probeer hem uit te leggen dat dat een computer is en dat we daar nog een paar van in huis hebben. Het is nog een heel gedoetje om uit te leggen wat een computer is en dat je daarmee met de hele wereld contact kunt hebben. Hij begrijpt ook niet helemaal waarom ik van tijd tot tijd op een klein zwart schermpje kijk waarvan ik zeg dat het een combinatie van een telefoon en zo’n computer is. Beetje aso vindt hij het ook, geloof ik en hij heeft gelijk. Is hij er na al die jaren plotseling, laat ik me afleiden. En zo gaat het eigenlijk maar door. Als we het er zo over hebben, concluderen we samen dat zolang ik leef – zowel toen hij er was als al die jaren erna – er behoudens een paar keer een economische crisis er alleen maar groei, groei, groei is geweest. Niet alleen voor mij, maar voor heel veel mensen. Voor ook veel mensen niet, weet ik vanuit mijn werk….. Ik vertel hem dat hij drie kleinkinderen heeft en dat zijn oudste kleinkind, dat naar hem is vernoemd,  voor de ongeveer 5e keer naar de VS is geweest. “Heb jij nog wel eens gevlogen? ”, vraagt hij aan mij. Zelf vloog hij twee keer in zijn leven, naar Engeland, voor medische behandeling. Ik vertel hem dat we naar Aruba, Turkije, Rhodos, Noorwegen (2x), Engeland (4x), Israël (4x) vlogen. En dat ik er misschien ook nog wat ben vergeten. “Gewoon pa, omdat het kan”.  Samen kijken we op een in zijn ogen bizar groot zwart scherm en zien daar de EK schaatsen. Daar was hij altijd al gek op.  “Wat een loeier van een tvscherm!!! Wat zie je het mooi zo. Maar, wat bizar, schaatsen ze tegenwoordig binnen……?” “Ja pa, al jaren…..”

Na nog een bakje koffie en een boel ontroering over ons weerzien en een heleboel verwondering over “gewoon, omdat het kan…..”, zie ik een frons op zijn gezicht: “Geef je ook nog wel wat aan goede doelen”????? Ook nog pa – en ik geef hem een inkijkje in onze giften en ik zie hem licht goedkeurend knikken. “En…., preek je ook nog wel eens over soberheid?”, knipoogt hij. “Nou….,” zeg ik, “dat doe ik de laatste jaren wél wat minder. Het moet wel geloofwaardig zijn….” “Wordt het dan niet weer tijd dat je…..?” We geven elkaar een hug, hij loopt de oprit af, kijkt nog even naar het rode Toyotaatje en verdwijnt weer.

Niet alles kan (meer)…

Niet alles kan…, dat was de titel van het rapport van de commissie Remkes over de stikstof. Remkes is een Groninger en die kunnen in weinig woorden heel veel zeggen. Ik stel me voor dat ik over een jaar of zeven met mijn oudste kleinzoon – voor een deel ook naar mij vernoemd – praat. Dan komt niet mijn vader mijn oprit oplopen, maar hij. “Opa”, zegt de dan tienjarige, “wanneer zijn jullie er nou er écht achter gekomen, dat er iets goed fout ging met het klimaat?” Het is nu al een mannetje dat soms pittige vragen stelt, maar dan zeker…. “Wel,” zeg ik, “dat heeft best een hele tijd geduurd. Eigenlijk vonden we het niet leuk om het te ontdekken. Als mensen wil je het graag goed doen, maar we gingen steeds meer ontdekken dat wat we goed en leuk vonden niet goed was voor de wereld en dus ook niet voor jullie, onze kinderen en kleinkinderen. Maar het is helemaal niet leuk om met iets te stoppen of minder te doen als je er wél van geniet. Ik zal je zeggen dat in de tijd van míjn vader – de opa van je moeder; maar ze heeft hem nooit gekend helaas – de mensen erachter kwamen dat sigaretten roken slecht was voor je gezondheid. Maar bijna iedereen deed het en iedereen vond het lekker….. Je moeders opa ook… Het kostte hem zijn gezondheid en zijn leven. Dat duurde ook jaren voordat mensen minder gingen roken. Sommigen geloofden ook niet dat het slecht wás en geloven het nog niet.”

“Ja, opa, leuk verhaaltje, maar wanneer kwamen jullie er nou achter?” “Nou,” zeg ik, “ergens zo tussen 2015 en 2020 werd het écht serieus. Heel veel landen sloten over de hele wereld een klimaatakkoord in 2015. Maar heel veel mensen begonnen in Nederland zo ergens rond het jaar 2020 het serieus te voelen. En serieuzer te nemen. Het was in 2019 dat het in Nederland voor het eerst warmer werd dan 38 graden. Het weer had koorts. Het was eigenlijk van de gekke, want in de schaatshal Thialf lag ijs, want er waren mensen die toen ook wilden schaatsen. Want we vonden het toen gewoon dat dat kón. En wij, oma en ik, wilden eigenlijk in de herfst naar Mallorca. Met het vliegtuig. Maar we dachten: niet alles kán meer en daarom hebben we  toen voor het eerst dat voor het klimaat gelaten en zijn met de TGV naar Straatsburg gegaan. En we keken of we minder vlees konden eten en als we dat wél deden dat de dieren een goed leven hadden en in Nederland hadden geleefd. Want dan hoefde er geen vliegtuig met buitenlands vlees deze kant op te vliegen. Beter voor onze boeren en beter voor de lucht….. Nou ja, en zo begon het bij ons thuis. Maar niet alleen bij ons thuis. Want veel meer mensen gingen praten over dat we allemaal een beetje ons steentje konden bijdragen. Gewoon, omdat het niet langer allemaal meer zo kon…… Niet voor de aarde, niet voor jullie…..”