Samenloop vóór hoop en tégen kanker….

Op 12 en 13 juni zal in het park bij de Kruserbrink voor de tweede keer een “Samenloop voor hoop” worden gehouden. Dit is een actie die is bedacht is door het KWF en de opbrengst van de actie gaat naar onderzoek hoe kanker (nog) beter kan worden bestreden. Kanker is in zekere zin volksziekte no. 1 in ons land. Van alle mensen die overlijden overlijdt 31% t.g.v. kanker.

Als predikant kom ik er vrijwel wekelijks mee in aanraking. Vorig jaar overleden in de wijk waar ik werk – Baalder – 9 mensen, 3 ervan stierven aan kanker. Het optrekken met mensen die te horen krijgen dat er geen hoop meer is, het bezoeken van hen en hun familie, iedere keer weer raak ik diep onder de indruk van wat die ellendige ziekte aanricht. En daarbij hoe ingrijpend het sterven voor iemand is die nog graag leeft, hoe ingrijpend het sterven is voor de mensen die achterblijven. Het zijn breuken in het leven, die heel hard aankomen.

Gelukkig is het aantal mensen dat geneest stijgend. Zo is het aantal vrouwen dat herstelt van borstkanker toegenomen van 52% in 1955 naar 88% in 2017. Maar dat neemt niet weg, dat het voor mensen die de ziekte krijgen én hun omgeving enorm spannend is: het “k-woord” in míjn lichaam, in mijn leven! Wat betekent dit? Mensen gaan door talloze angsten heen en zeker zolang er onzekerheid bestaat over kansen op herstel – of juist niet – vliegen de scenario’s van “het komt vást goed tot aan dit wordt einde verhaal” door je hoofd en je hart heen. Vooral in de nacht, hoe kan het dan spoken! Als de behandeling dan eenmaal volgt kom je waar je kort daarvoor  nog “een gezond mens” was opeens aan de rand van de samenleving te staan en beland je in een wereld van ziekenhuizen en allerlei behandelingen. Je wordt patiënt, wordt ziek, moet behandelingen ondergaan. Als die behandelingen zijn afgerond heb je hersteltijd nodig, zowel voor je lijf – want chemobehandelingen en bestralingen hebben forse hersteltijd nodig – als voor je ziel: kun je weer vertrouwen krijgen in je leven? Kun je leven met het gegeven dat je een ernstige ziekte hebt gehad, m.a.w. dat je fors geconfronteerd bent met je eigen sterfelijkheid? Met telkens om de drie, zes maanden weer zo’n controle, die ergens iets van een “dag des oordeels” heeft? Is die smerige sluipmoordenaar niet teruggekomen? En kan je gezin – als dat er is – weer in evenwicht komen na de onrust en onzekerheid die achter je ligt?

Kortom, hoe ingrijpend is deze rotziekte!!! Voor patiënten, voor hun gezinnen en geliefden. Eigenlijk is het iets dat ieder van ons aangaat: omdat 31 procent van alle mensen sterft aan de ziekte  zal er daarom niemand zijn die ergens niet vlakbij – in je gezin, in je straat, in je familie, in je vriendenkring – met de ziekte is geconfronteerd. Hetzij dat er iemand  is die de ziekte had en genas, hetzij dat er iemand was die eraan overleed. Hetzij omdat er iemand is die nú ziek is. Dat maakt dit evenement ook zo waardevol: samen lopen, samen hopen tegen iets dat in ieders leven voorkomt. En iedereen kan meedoen: óf lopen óf kijken óf sponsoren óf gewoon praten en delen. Het is letterlijk en figuurlijk om de hoek: in het park.

Samenloop ván omstandigheden

Ik kom ook. Met de kennis van nu had mijn vader in 1983 niet aan keelkanker hoeven te sterven, toen hij 55 en ik 21 was. Hij was – zoals zoveel mannen in die dagen – een forse roker. In de jaren ’70 begon het net wat tot ons door te dringen dat roken bar slecht was voor je gezondheid. En hij was jarenlang verslaafd aan alcohol en daar is hij na een jaar therapie grandioos afgekomen. Relaties in ons gezin waren daardoor hersteld. Na anderhalf jaar trad er een tumor onder zijn tong op. Zoek op internet naar zeer waarschijnlijke oorzaken van tongkanker en je komt telkens de combinatie van én roken én overmatig alcoholgebruik tegen. Hoewel het niet 100% hard te maken is, is de tumor van mijn vader dus zeer waarschijnlijk veroorzaakt door die combinatie. Hoe wrang: heb je eerst de demon van een alcoholverslaving verslagen, word je daarna gepakt door volksziekte nummer 1. Wat ik voor hem – en mijn moeder, broers en zussen heb ik niet – met de kennis van nu fijn vind: toen hij overleed werd het verband tussen alcohol/nicotine en de tumor waaraan hij overleed nog niet gelegd. Zij hebben het idee gehad dat hij de alcohol had verslagen en daarna gruwelijk pech kreeg. Die gedachte vind ik voor mijn ouders veel fijner, dan dat ze weten wat ik nu weet met de kennis van nu:  een intens droevige samenloop van omstandigheden heeft ons leven diepgaand beïnvloed.

Roken is voor mij dus vanuit mijn verleden altijd uit de boze geweest. Want dat wisten we sinds de jaren 70-80: roken verhoogt écht de kans op heel ernstige ziekten. Je zult me overigens nooit beschuldigend horen praten of wijzen naar mensen die roken en kanker krijgen. Of ander ongezond gedrag vertonen, waardoor je extra risico loopt. De ziekte is veel te erg om met wat voor soort beschuldigende vinger te gaan wijzen naar degene die eraan lijdt. En soms wéét je sommige dingen dus ook gewoon écht niet. Een concreet voorbeeld: alcohol was voor mij jarenlang iets van “geniet, maar drink met mate”. Het belangrijkste risico van alcohol zat in de kans op verslaving en niet in gezondheid. Dus dronk ik na mijn werk regelmatig een wijntje of een juttertje. Of 2 of 3. Niet meer. Want ik ken de risico’s van huis uit. Van de verslaving, maar ook van het overmatige. Ik denk dat ik de enige niet ben.

Dat blijkt dus – voortschrijdend wetenschappelijk inzicht – te beperkt. De Gezondheidsraad – het adviesorgaan van de regering – raadt alcohol gewoon af. Drink het niet, hooguit één glas per dag en dan liefst per week twee dagen niet. Reden onder andere: alcohol verhoogt dus ook bij weinig gebruik de kans op kanker. Een boekje van René Kahn, die jarenlang deel uitmaakte van die gezondheidsraad  – op je gezondheid, zo heet het – gaf mij een forse wake-up-call. Er staan fikse gegevens in: alcohol is verantwoordelijk voor 12,5% van alle gevallen van kanker; één op de tien gevallen qua borstkanker heeft alcohol als oorzaak. Een derde van de sterfgevallen van darmkanker is te wijten aan 1,5 glas alcohol per dag. Nou ja, en dat soort cijfers hebben mij toch zodanig aan het denken gezet dat ik inmiddels een forse afnemer ben geworden van perensap. Had ik nooit gedacht! En van tijd tot tijd – binnen de marges van de gezondheidsraad – een keer een wijntje of een juttertje.

Samen hopen, samen lopen….. Zo zal het ergens wel blijven: telkens verder op zoek naar hoe je die rotziekte onder de duim krijgt. Geld inzamelen voor het KWF, zodat er meer onderzoek komt om hoe je die sluipmoordenaar geneest, maar ook de kans kunt reduceren dat deze in je leven komt door gezond eten en drinken. Elkaar steunend en stimulerend en troostend. Met voortschrijdende kennis om die ziekte te bestrijden én te voorkomen. Ik sponsor mee en kom kijken, samenlopen en samen hopen tegen de ziekte.

Gewoon omdat het kan…..

Ik probeer me wel eens voor te stellen dat mijn in 1983 overleden vader plotseling bij mij de oprit opstapt. Als we eerst een enorme hug hebben gedaan, gaat hij zijn ogen uitkijken. Hij ziet een rode, kleine Toyota staan. Dat roept herkenning op! In 1981 koopt hij zijn bruine Starlet en is er supertrots op. Dan ziet hij ook onze Peugeot 308 staan. “Van wie is die?” “Van mij, pa, ze zijn allebei van Gerda en mij”. “Hoe krijg je dat voor elkaar, je bent toch dominee, net als ik was?” “Klopt pa”, zal ik zeggen, maar Gerda werkt ook en er zijn veel mensen die twee auto’s hebben. Gewoon, omdat het kan….”

Hij ziet ons huis. Ik zie hem denken. Dat hebben ze goed voor elkaar. “Nou, jongen, de kerk heeft een mooi huis voor je gekocht….”. “Eh, pa, het is van onszelf, tegenwoordig hebben veel van jouw en mijn collega’s een eigen huis, maar kom gauw verder!!!” Ik maak hem koffie met een Senseo-apparaat, terwijl hij rondbanjert door ons huis. Mijn studeerkamer vindt hij bere-interessant, want er staan nog veel boeken die ik van hem heb. Hij ziet er ook een vreemd zwart scherm staan met een bijzondere doos ernaast. En verder een typmachine zonder lint erin. Ik probeer hem uit te leggen dat dat een computer is en dat we daar nog een paar van in huis hebben. Het is nog een heel gedoetje om uit te leggen wat een computer is en dat je daarmee met de hele wereld contact kunt hebben. Hij begrijpt ook niet helemaal waarom ik van tijd tot tijd op een klein zwart schermpje kijk waarvan ik zeg dat het een combinatie van een telefoon en zo’n computer is. Beetje aso vindt hij het ook, geloof ik en hij heeft gelijk. Is hij er na al die jaren plotseling, laat ik me afleiden. En zo gaat het eigenlijk maar door. Als we het er zo over hebben, concluderen we samen dat zolang ik leef – zowel toen hij er was als al die jaren erna – er behoudens een paar keer een economische crisis er alleen maar groei, groei, groei is geweest. Niet alleen voor mij, maar voor heel veel mensen. Voor ook veel mensen niet, weet ik vanuit mijn werk….. Ik vertel hem dat hij drie kleinkinderen heeft en dat zijn oudste kleinkind, dat naar hem is vernoemd,  voor de ongeveer 5e keer naar de VS is geweest. “Heb jij nog wel eens gevlogen? ”, vraagt hij aan mij. Zelf vloog hij twee keer in zijn leven, naar Engeland, voor medische behandeling. Ik vertel hem dat we naar Aruba, Turkije, Rhodos, Noorwegen (2x), Engeland (4x), Israël (4x) vlogen. En dat ik er misschien ook nog wat ben vergeten. “Gewoon pa, omdat het kan”.  Samen kijken we op een in zijn ogen bizar groot zwart scherm en zien daar de EK schaatsen. Daar was hij altijd al gek op.  “Wat een loeier van een tvscherm!!! Wat zie je het mooi zo. Maar, wat bizar, schaatsen ze tegenwoordig binnen……?” “Ja pa, al jaren…..”

Na nog een bakje koffie en een boel ontroering over ons weerzien en een heleboel verwondering over “gewoon, omdat het kan…..”, zie ik een frons op zijn gezicht: “Geef je ook nog wel wat aan goede doelen”????? Ook nog pa – en ik geef hem een inkijkje in onze giften en ik zie hem licht goedkeurend knikken. “En…., preek je ook nog wel eens over soberheid?”, knipoogt hij. “Nou….,” zeg ik, “dat doe ik de laatste jaren wél wat minder. Het moet wel geloofwaardig zijn….” “Wordt het dan niet weer tijd dat je…..?” We geven elkaar een hug, hij loopt de oprit af, kijkt nog even naar het rode Toyotaatje en verdwijnt weer.

Niet alles kan (meer)…

Niet alles kan…, dat was de titel van het rapport van de commissie Remkes over de stikstof. Remkes is een Groninger en die kunnen in weinig woorden heel veel zeggen. Ik stel me voor dat ik over een jaar of zeven met mijn oudste kleinzoon – voor een deel ook naar mij vernoemd – praat. Dan komt niet mijn vader mijn oprit oplopen, maar hij. “Opa”, zegt de dan tienjarige, “wanneer zijn jullie er nou er écht achter gekomen, dat er iets goed fout ging met het klimaat?” Het is nu al een mannetje dat soms pittige vragen stelt, maar dan zeker…. “Wel,” zeg ik, “dat heeft best een hele tijd geduurd. Eigenlijk vonden we het niet leuk om het te ontdekken. Als mensen wil je het graag goed doen, maar we gingen steeds meer ontdekken dat wat we goed en leuk vonden niet goed was voor de wereld en dus ook niet voor jullie, onze kinderen en kleinkinderen. Maar het is helemaal niet leuk om met iets te stoppen of minder te doen als je er wél van geniet. Ik zal je zeggen dat in de tijd van míjn vader – de opa van je moeder; maar ze heeft hem nooit gekend helaas – de mensen erachter kwamen dat sigaretten roken slecht was voor je gezondheid. Maar bijna iedereen deed het en iedereen vond het lekker….. Je moeders opa ook… Het kostte hem zijn gezondheid en zijn leven. Dat duurde ook jaren voordat mensen minder gingen roken. Sommigen geloofden ook niet dat het slecht wás en geloven het nog niet.”

“Ja, opa, leuk verhaaltje, maar wanneer kwamen jullie er nou achter?” “Nou,” zeg ik, “ergens zo tussen 2015 en 2020 werd het écht serieus. Heel veel landen sloten over de hele wereld een klimaatakkoord in 2015. Maar heel veel mensen begonnen in Nederland zo ergens rond het jaar 2020 het serieus te voelen. En serieuzer te nemen. Het was in 2019 dat het in Nederland voor het eerst warmer werd dan 38 graden. Het weer had koorts. Het was eigenlijk van de gekke, want in de schaatshal Thialf lag ijs, want er waren mensen die toen ook wilden schaatsen. Want we vonden het toen gewoon dat dat kón. En wij, oma en ik, wilden eigenlijk in de herfst naar Mallorca. Met het vliegtuig. Maar we dachten: niet alles kán meer en daarom hebben we  toen voor het eerst dat voor het klimaat gelaten en zijn met de TGV naar Straatsburg gegaan. En we keken of we minder vlees konden eten en als we dat wél deden dat de dieren een goed leven hadden en in Nederland hadden geleefd. Want dan hoefde er geen vliegtuig met buitenlands vlees deze kant op te vliegen. Beter voor onze boeren en beter voor de lucht….. Nou ja, en zo begon het bij ons thuis. Maar niet alleen bij ons thuis. Want veel meer mensen gingen praten over dat we allemaal een beetje ons steentje konden bijdragen. Gewoon, omdat het niet langer allemaal meer zo kon…… Niet voor de aarde, niet voor jullie…..”

Gisteren maakte Elbert Dijkgraaf, Tweede Kamerlid van het SGP, bekend dat hij terugtreedt als kamerlid. Reden: zijn huwelijk verkeert al een paar jaar in zwaar weer en daarbij speelt de balans (of juist het gebrek daaraan) tussen werk en privé een grote rol. Hij heeft al ander werk gevonden, zodat hij geen gebruik maakt van de wachtgeldregeling (ww) voor Tweede kamer leden. Het bericht maakte op zijn collega-kamerleden veel indruk en hij kreeg respectvol  applaus toen hij vertrok. Ik deel dat respect! Het is altijd een keuze: wat vind ik belangrijker, werk (met aanzien!) of de liefde. En het is óók een keuze of je dan van een wachtgeldregeling gebruik wilt maken óf direct zelf ander werk kiest. Respect voor beide keuzes. Ik hoop dat het Dijkgraaf en zijn vrouw lukt – er zijn vast ook kinderen in het spel en nog jong ook want Dijkgraaf is 48 – om hun liefde en huwelijk te redden. En ik hoop dat hij zinvol werk heeft gevonden.

Dijkgraaf en zijn vrouw zoeken hoop ik professionele hulp in de vorm van relatietherapie. Als predikant kom ik het geregeld tegen dat mensen dat zoeken, relatietherapie. Niet altijd heeft dat succes, soms zijn mensen te ver uit elkaar gegroeid. Dan is scheiden de betere oplossing, zowel voor de ex-partners als voor de kinderen. Maar vaak lukt het óók wel en worstelen mensen samen door een diepe crisis heen en leren ze elkaar als geliefden en als personen beter begrijpen. En beter begrijpen is één van de ingrediënten van elkaar leren vertrouwen, leren waarderen, en zo voeding krijgen om je liefde voor die ander te hernieuwen. Die ander met zijn/haar zwakke punten, fouten, waar je al bijna op was afgeknapt én met zijn/haar lieve kanten. Zoals je zelf overigens ook je zwakke punten en fouten hebt én je lieve kanten. Tenminste bij mij zit dat wel zo en bij Gerda ook al…. Als het dan wél lukt, geeft dat soms verrassend nieuw geluk en waar er kinderen in je gezin zijn biedt het hen een voorbeeld dat er soms een diepe crisis kan zijn in een relatie, maar dat je er ook uit kunt komen.

Nu is dat soms wél letterlijk “zoeken”, die relatietherapie. De reguliere GGZ biedt het niet aan en dat heeft te maken dat het niet in de basisverzekering zit. Allerlei individuele therapieën zitten dat wel. Relatietherapie wordt wél in aanvullende verzekeringen vergoed, maar dan in de wat duurdere pakketten. En dat moet je dus kunnen betalen….. Niet alle psychologen bieden het aan. Zoeken dus!

Kijk, dat vind ik dus écht raar. Misschien wel symptomatisch voor onze tijd: heb je een individueel probleem, dan kun je daar vergoed hulp bij krijgen bij eerstelijnspsychologen. Heb je samen problemen…, dan kun je daar dus géén vergoede hulp bij krijgen. Misschien een signaal dat we in onze samenleving (nou ja, juist níet samen-leving!) wat ver zijn doorgeschoten in het individualisme. Sterker nog, ik heb het meegemaakt dat iemand (goede!) eerstelijnshulp kreeg voor zichzelf, dat daardoor dingen veranderden in de relatie waarbij beide partners graag hulp wilden en degene die de goede psychologische hulp had gekregen te horen kreeg “je bent hier sterker geworden, dat geeft je nu vast de kracht om hier doorheen te komen”. Niet dus…, scheiding, waarvan ik eigenlijk denk dat die met goede relatietherapie voorkomen had kunnen worden. De kosten die er daarna aan jeugdzorg o.a. moesten worden besteed waren vele malen hoger dan wat relatietherapie had gekost. De emotionele schade was nog groter….

In de verkiezingstijd voor de gemeenteraadsverkiezingen heeft het plaatselijke CDA beloofd dat ze gaan proberen om in de voorwaarden voor de collectieve verzekering van de gemeente voor mensen met een laag inkomen relatietherapie vergoed te krijgen. Dat zou écht winst zijn, zeker omdat het gaat om mensen die überhaupt zo’n therapie dus niet kunnen betalen. Ik hou ze graag aan die belofte!!! Nog veel mooier zou het zijn dat het respect voor de keuzes die Elbert Dijkgraaf nu van zijn collega’s in de Tweede Kamer heeft gekregen zou worden omgezet in politieke daadkracht: doe relatietherapie in de basisverzekering om ieder die dat wil de kans te bieden zijn/haar relatie te redden, ongeacht je inkomen.

Hoe oom Harry langzamerhand zijn geloof in “Boven” verloor…

Gedachten bij de biografie, het leven en sterven van Harry Kuitert

Afbeeldingsresultaat voor kuitertHarry Kuitert was natuurlijk geen oom van mij. Hij had het wel kunnen zijn: hij is geboren in 1924 en al mijn ooms en tantes zijn in die tijd geboren. Oom Harry is Harry Kuitert en hij is – net als mijn ouders en ooms en tantes – lid geweest van de Gereformeerde Kerken in Nederland voordat die opgingen in de Protestantse Kerk in Nederland. En wat voor een lid! Als je de biografie leest die al bij zijn leven verscheen raak ik onder de indruk van de voortrekkersrol die hij heeft gespeeld. Veel mensen zullen hem als dwarsligger hebben ervaren. Voortrekker en dwarsligger, beide zijn waar: als één van de eersten is hij erop uit om die rare scheiding tussen Hervormd en Gereformeerd te doorbreken. Hij durft het ook aan om begin jaren ’60 te beginnen over dat de schepping toch echt niet in 6 dagen is gemaakt. Dat is vloeken in de gereformeerde kerk van die dagen – en voor sommigen is het dat nog steeds. Zo is dat een rode draad in zijn leven: telkens opnieuw stelt hij “heikele hangijzers” aan de orde: euthanasie, abortus, suïcide, politiek in de kerk en andere ethische thema’s. En daarbij ook dus meer specifiek theologische thema’s: alles over boven komt van beneden, ook dat wat over boven gaat.

Die laatste zin gaat vooral over de bijbel. In de tijd dat Kuitert opgroeit is er binnen de Gereformeerde Kerken het idee dat de bijbel door God geïnspireerd is en dan wel op een zodanige manier, dat de bijbel “van kaft tot kaft” waar is en door God bijna gedicteerd. Steeds meer komt onder de gereformeerde professoren aan de universiteiten de overtuiging op, dat de bijbel vooral is ontstaan, omdat mensen ervaringen met God (dat wel!) opdeden en ze hebben die ervaringen op schrift gesteld in een heel lang proces van eeuwen. Dat houdt dus bijvoorbeeld in, dat lang niet alles wat er in de bijbel staat ook ís gebeurd of letterlijk is gebeurd. Dus “alles over boven komt van beneden”: wat er in de bijbel staat is door mensen opgeschreven, ook dat wat ze over God zeggen. Kuitert is in staat om heel helder te schrijven, te vertellen en hij heeft ook het lef om dingen te zeggen, die hij gelooft of niet meer gelooft. Voor veel mensen  is hij dus een “gevaarlijke professor”, die mensen van hun geloof afbrengt. En voor anderen is hij iemand die mensen juist helpt om opnieuw te gaan geloven, waarbij ze hun verstand niet hoeven in te leveren… Hij heeft dus fans én tegenstanders. En dat telkens weer, want Kuitert schrijft vaak en veel boeken die tegenspraak oproepen.

Dat doet hij overigens wel als een “echte gereformeerde”: die staan bekend om hun rationalisme én hun stelligheid. In die zin is hij een echte neef van Abraham de geweldige, Abraham Kuyper, die óók zo goed én ook zo helder en ook zo beslist schreef. Zo schrijft Kuitert ook: hij kan machtig helder en stellig redeneren en als hij dat doet, dan lijken de redeneringen ook altijd te kloppen als een bus. Dat is – punt van mij – ook direct de zwakheid. Stelligheid suggereert dat iets écht zo is. Dat hoeft natuurlijk lang niet altijd het geval te zijn: in zijn lange carrière is Kuitert bijvoorbeeld lange tijd  heel stellig dat er leven na dit leven is. Maar in een latere fase is hij net zo stellig dat het niet het geval is. Beide kan in ieder geval niet waar zijn…. Het is natuurlijk ook onzin: naarmate ik iets steeds stelliger ga beweren wordt het beweerde niet meer waar.

Ik schrijf bewust over “oom Harry”. Langere tijd heeft oom Harry heel veel betekend binnen de kerken. Maar die tijd is eigenlijk gewoon voorbij. Voor zijn eigen generatie en daar net onder was hij van grote betekenis. Voor mijn generatie en daaronder al veel minder of niet meer. Toch sta ik op zijn schouders en op die van zijn generatiegenoten, mijn ouders, andere professoren. We zijn wél familie en dat blijven we. Oom Harry was – hij werd 92 –  niet alleen qua leeftijd oud, maar ook bij de generatie 30ers-40ers is zijn naam onbekend. Zij zijn niet opgegroeid met gereformeerde stelligheid en de bijbel die van kaft tot kaft waar is. Ik denk ook dat ze meer uit zijn op ervaring en “het hart” dan “geloven met je hoofd”. Daarbij hebben ze, denk ik, een punt. God is ten diepste beter te kennen met je hart dan met je hoofd. Dat komt omdat God de liefde in eigen persoon is zo vertelt de bijbel en dat is nou eenmaal beter te snappen – fout woord in dezen – met het hart dan met het hoofd. Net zoals ik ooit contact had met een man die alles met zijn hoofd beredeneerde. Tot en met de liefde voor zijn vrouw die in zijn ogen ook een zaak was van “chemie en biologie”. Zijn vrouw kon er de humor wel van inzien, maar voor hemzelf was dat logisch verklaren van wat liefde is – die haar eigen logica heeft – een kwelling: dat wat mooi was en in hem gebeurde redeneerde hij voor zichzelf stuk. Dat brengt me op een laatste punt.

Ik schrijf om een andere reden ook bewust “oom Harry”. In dat woord “oom” zit niet alleen ouderdom, maar ook verbondenheid. Er is gaandeweg zijn leven veel gebeurd in zijn theologische ontwikkeling. Zoals gezegd, de voormalig Gereformeerde Kerken in Nederland hebben veel aan hem te danken. Maar Harry Kuitert heeft op een zeker moment een laatste conclusie getrokken vanuit zijn zin “alles van boven komt van beneden”. Die zin was bedoeld om aan te geven, dat mensen de bijbel hebben geschreven. En alles wat ze over boven schrijven, komt uit hún pen en hoofd. In “voor een tijd een plaats van God” trekt hij zijn eindconclusie: niet alleen bedenken de mensen de verhalen over God – in plaats van dat God ze influistert – , God zélf is door de mensen bedacht. Net zoals Zeus ooit bedacht is door de Grieken. God als het bedenksel van mensen. Daarmee verliest het geloof zijn betekenis in een macht buiten ons en valt het gebouw om: wat voor zin en fundament heeft kerk, heeft geloven in leven na dit leven enz. dan nog? Niet meer voor oom Harry. En toch bleef hij lid van de kerk…. Verbondenheid.

Toen ik in Kampen studeerde was daar een professor, een leeftijdgenoot van oom Harry. Laat ik hem maar “oom Gerrit” (Professor Hartvelt) noemen. Die had nog wel eens een mooie puntige uitspraak. Ik herinner me “je moet uitkijken dat je aan het einde van je theologie niet alleen met jezelf overblijft”. Zonder God dus, als een soort baron van Münchhausen die zichzelf aan zijn haren uit het moeras moet trekken. Als ik de interviews lees met Kuitert uit zijn laatste jaren is er enerzijds een vrede met zijn overtuiging dat God bedenksel is van mensen en anderzijds óók gemis. Dat kan haast niet anders voor een gereformeerde jongen, die z’n leven lang met geloven/kerk eerlijk bezig is geweest.

Niemand heeft de waarheid in pacht. Ook niet over de vraag of er leven na dit leven is. Ik weet het dus ook niet zo zeker als 2×2 4 is, maar dat soort van zekerheid is denk ik ook niet de zekerheid/hoop die kenmerkend is voor geloof in déze God.  Maar ergens in mij is er een soort binnenpretje van hoop: ik zie oom Harry wat verbaasd zijn ogen opendoen na zijn sterven. Blijkt er tóch een Boven te zijn… Staat Jezus hem daar mild glimlachend welkom te heten en ziet hij zijn geliefden weer….. “Dag Harry, welkom hier boven. Alle spreken over Hierboven kwam inderdaad van beneden, maar ze hebben daarbeneden – de Paulussen, de Petrussen, de Luthertjes, de Barthjes en zoveel meer –  toch écht wel een paar dingetjes van Hierboven goed van ons opgevangen. Welkom, begroet eerst geruime tijd je geliefden en dan zal Ik je een paar dingetjes uitleggen waar je stellig van dacht dat het niet zo was…”

Geschreven n.a.v. de biografie van H.M. Kuitert, “Spreken over Boven”, Gert Peelen, en Kuiterts overlijden op vrijdag 8 september 2017

Mijmeringen bij Molengoot en bij een mooi pad in het Engelandse bos

Al langere tijd stond een bezoek aan het monument van “kamp Molengoot” op mijn lijstje. Er is niet zoveel in Hardenberg dat herinnert aan de geschiedenis van Joodse mensen onder ons. Kamp Molengoot is er één klein stukje van. Die geschiedenis interesseert me, als christen en als mens. Het eerste moge helder zijn: christenen noemen zich naar Jezus Christus en Christus is het Griekse woordje voor het Hebreeuwse “Messias”. Hoe we het ook wenden of keren: de God waarover Jezus spreekt en namens wie Hij zegt te komen is de God van Abraham, Izaäk en Jakob. En dat tot op de dag van vandaag. Dat het me ook als mens interesseert is misschien niet vanzelfsprekend. Maar het gegeven dat tot in de tweede wereldoorlog er een bloeiende Joodse gemeenschap in Hardenberg is geweest én dat die verdrietig genoeg in de tweede wereldoorlog is verwoest door de Duitsers blijft me puzzelen. Het blijft ook een vraag, een appél: als het tóen kon gebeuren dat een minderheid werd gediscrimineerd en zelfs werd afgevoerd, hoe gaan wij dan vandaag om met minderheden als die op ons pad komen. Overigens: de Joden uit Hardenberg hebben niet zelf in Molengoot verbleven. Zij zijn in de jaren 1942-1943 afgevoerd naar Westerbork.
Molengoot zélf diende in het begin van de tweede wereldoorlog vooral als werkkamp voor arbeiders die ontginningswerkzaamheden verrichten voor de Heidemaatschappij. Van januari 1942 tot 3 oktober “woonden” er ook Joodse mensen en fungeerde het kamp als overloop voor Westerbork. Dat is een afschuwelijk woord: omdat er zoveel Joden aankwamen in Westerbork om afgevoerd te worden naar Duitse vernietigingskampen had men extra ruimte nodig om Joden die wachtten op afvoer naar Westerbork tijdelijk onder te brengen. Molengoot was zo’n tijdelijk onderkomen en de Joden moesten samen met de andere mensen die daar verbleven ontginningswerkzaamheden verrichten.

Ik loop graag in het Engelandse bos. In dat bos herinnert één lang pad nog aan het verblijf van de Joden en hun werkzaamheden in Kamp Molengoot: de Jodenweg. Het wandelt er prachtig én het wandelt er voor mij besef altijd wrang, als je bedenkt dat het pad is gemaakt door mensen die wachtten om via Westerbork naar concentratiekampen te worden gebracht om daar te worden vernietigd.   

Vernietigd, wat een woord als het over mensen gaat. Het woord “Jodenweg” heeft voor mij een bittere klank: gemaakt door Joden in dwangarbeid en daarna inderdaad: Joden wég.
Bij het eenvoudige én indrukwekkende monument is een plaquette met daarop een indringende tekst, die uitmondt in een appellerende vraag:
zij waren eens te midden van ons
gingen gebukt onder dwangarbeid en grote nood
waarom hebben wij niet kunnen verhinderen dat deze plaats werd tot een voorportaal naar de dood

Ik wil me niet te makkelijk van die vraag afmaken. Ik kan natuurlijk zeggen “wij?”, ik leefde niet in die tijd. Dat is waar, maar het betekent dan omgekeerd dat mij/ons de vraag gesteld wordt: hoe gaan wij/ik om met mensen die nu vervolgd worden en onder ons zijn?

Toch wil ik er wél een kanttekening bij zetten. Ik denk dat mijn antwoord in 1942  op die stevige vraag was geweest: we konden het niet verhinderen omdat het niet in onze macht lag om het te verhinderen. Het harde van het leven is soms ook dat je dingen ziet gebeuren en je staat erbij én kunt er niks aan of tegen doen. Vergelijk het met de brandweer van Londen, die op 14 juni machteloos stond, toen die flat in Oost-Londen afbrandde en er geen houden aan was en er minstens 80 doden waren. Het had voorkomen kunnen worden als in een eerder stadium er geen brandbaar materiaal was gebruikt bij de gevelplaten. Maar op het moment van de brand zélf is die niet meer te beteugelen. Hetzelfde geldt voor Molengoot en de vernietiging van de Joden: historici proberen al tijden te zoeken naar hoe in Duitsland Hitler aan de macht kon komen (de vernedering van na de 1e wereldoorlog enz.), maar toen het monster van het Nazisme eenmaal in z’n desastreuze vorm geboren was, was Molengoot niet meer te voorkomen. Ook niet door bewoners van Hardenberg. Dat lag niet in ons vermogen, zoals de brandweer van Londen ook machteloos was. Joden als onderduiker onderdak bieden, dat kon een aantal mensen wel. Ik denk dat meer mensen dat in die tijd hadden kunnen doen: van de 140.000 Joden in Nederland zijn er ca. 102.000 om het leven gebracht of door uitputting omgekomen. Maar ook daar geldt: je moest in die tijd wél de mogelijkheid (huis) én het lef en karakter hebben om het te doen. Wat zou ik doen met mijn huis aan de Floralaan? Maar hoe ook: als mensen eenmaal gepakt waren…., dan lag het niet meer in de macht van gewone burgers om deze Joden nog te redden uit de handen van de Nazi’s die de wapens en de macht in handen hadden. Hoe bitter!!!!

Tegelijk blijft de vraag wél op een andere manier zeer actueel: wat ligt dan wél in onze macht om te doen voor mensen die op ons pad komen? Minderheden, mensen met een andere nationaliteit: mensen die in je wijk komen wonen omdat ze gevlucht zijn, omdat elders in de wereld dingen gebeuren waarop wij ook geen enkele invloed hebben. Zelden komen ze gelegen, altijd heeft een mens in nood iets storends: zal ik wél of niet ingaan op het appél dat deze mens(en) op mij doen als individu, op ons doen als gemeenschap? Nodig ik die nieuwe mensen in mijn straat wél of niet uit bij mij thuis…. Waar laat ik mij raken, als christen, als mens? Waar scherm ik mezelf af voor het appél dat op mij wordt gedaan. En met welk recht doe ik dat wel of niet? Op ongeveer 300 meter afstand van Molengoot ligt het huidige Asielzoekerscentrum. Ik ben er “trots” op dat er in Hardenberg zo’n centrum is en vind het gezien de geschiedenis bijzonder dat het zo vlak bij Kamp Molengoot ligt. Toen was dat een plek die voorportaal was voor de vernietiging van mensen. Nu is het AZC een schuilplaats voor mensen die veelal vernietigd dreigden te worden door oorlogsgeweld en die daaraan ontsnapt zijn.

/>

Jakobosladders…..

Vlinders!