Knooi’n: later als je groot bent wordt later als je dood bent: als de eerste schoolreis

Knooi’n is een mooi woord uit het dialect. Er zit veel in. Aan de ene kant iets ontspannens: knutselen. Mijn schoonvader was er een meester in, eindeloos in zijn schuurtje aan het prutsen. En soms kwam er iets geweldig moois uit. Maar prutsen en verprutsen liggen in elkaars verlengde. Soms ging het ook finaal mis en sloeg hij zich op zijn duim, verknooide hij waar hij mee bezig was. Het is net het leven zelf….. We knooi’n wat af als mensen. In deze rubriek gaat het daar telkens opnieuw over

Over vijfentwintig jaar
zal iedereen het zingen:
het lied van oude mensen
en voorbijgegane dingen.
Ook al zijn we dan vergeten
wat we doen en hoe we heten.
Of we halen wát we weten
af en toe wat door elkaar

De toekomst was een zee,
een blauwe zee van tijd.
Maar later als je groot bent
wordt later als je dood bent:
dan komt de dag van gisteren
en ben je morgen kwijt.

En langzaam schuif je op
naar een plaatsje bij het raam.
Daar mag je dan gaan zitten,
beetje praten beetje pitten,
totdat de hemel opengaat.
En dan roepen ze je naam.[1]

Gemiddeld worden mannen 80 jaar. Ik ben nu 64 en dus heb ik – statistisch – nog 16 jaar. Nog 20% te gaan… Nou ja, dat is natuurlijk totaal onzeker. Wie weet krijg ik straks een ongeluk, een hartaanval of een andere vorm van een plotselinge dood. Dat was het dan. Geen tijd voor afscheid over en weer van en met geliefden. In één keer het licht uit. Bam! Of blijk ik over een tijdje een ziekte te hebben, die ongeneeslijk is. Ik zou niet de eerste net-pensioen-mens zijn die al rap na dat pensioen komt te overlijden. Je hebt dan nog wél tijd voor afscheid…. Maar misschien ook veel pijn op weg naar het einde…

Iedereen gaat een keer dood. Dat is één van de weinige echte feitelijke zekerheden in het leven. Als predikant ben ik bovengemiddeld vaak in aanraking geweest met stervende mensen. Van zuigelingen – dat is een heel hard gezicht, een levenloze baby – tot aan 19 jarigen die verongelukten, jonge mensen die de strijd van kanker verloren, iemand die vermoord is, suïcide, sterven op middelbare leeftijd enz. Dat zijn de echt heel harde en ontwrichtende kanten van de dood. Voor de gestorvene zelf en minstens zozeer voor de achterblijvers. Een scheur door je leven, vaak levenslang. Niet dat mensen niet verder kunnen leven – de meesten lukt het – , maar er is een tijd vóór en een tijd na het overlijden van de geliefde. Rouwen gaat misschien voorbij, gemis blijft.

Er is ook sterven waar mensen meer vrede mee hebben. Wie oud is geworden, ernstig ziek – dement, totaal uitgeleefd – kan verlangen naar de dood. Vaak sprak ik met mensen dáárover: dat ze uitzagen naar het einde en het nieuwe begin. De dood is een feitelijke zekerheid, het uitzien naar het nieuwe begin is een geloofszekerheid. Eentje van vertrouwen. Op weg naar een land, een manier van zijn, de hemel, bij God, waar je nog niet eerder was. Als Abraham die z’n land verliet naar een land dat hem beloofd was, maar waar hij nog niet eerder was. Op goed geluk en in goed vertrouwen!

Uiteraard is het sterven van een ouder iemand makkelijker te verteren dan van een jonger. De vraag: “waarom moest dit nu gebeuren?” is logisch en passend bij een jong iemand, maar bij een 80+er is het levensvreemd. Ieder mens sterft. Haal je 80, dan is dat een zegen en prachtig. Maar de andere kant van het verhaal is dat je nooit een leeftijd begraaft, maar altijd een mens. Een man, een echtgenoot, een vrouw, een echtgenote, een vader, moeder, oom, tante, vriend of vriendin. Het is altijd missen, loslaten, losscheuren en de woorden “nooit meer”, die in de loop van de tijd na het afscheid hun scherpte en pijn laten voelen. En een confrontatie automatisch ook met je eigen sterfelijkheid. Iedere keer weer.

Ik maakte het mee hoe mensen in vrede stierven. Dat helpt op een bepaalde manier voor je eigen omgaan met de dood: daardoor ga je zien dat het in goed vertrouwen kan. Goed voorbeeld doet hopelijk t.z.t. goed volgen. Dat je kan loslaten: het leven, je geliefden en je kunt overgeven aan God. Soms hadden mensen al eerder in hun leven een bijna-dood-ervaring meegemaakt. Die hadden als het ware “het Licht” al gezien en even om het hoekje gekeken. Hun angst was voorbij en geloofszekerheid was voor hen feitelijke zekerheid. Vaak – dat doe je dan als dominee – legde ik mensen de handen op als ze op hun sterfbed lagen en zegende ze met de woorden van Aäron: De Here zegene je en Hij behoede je, de Here doe zijn aangezicht over je lichten en is je genadig, de Here verheffe zijn aangezicht over je en geve je vrede. Geregeld met de familie erbij en er omheen. Het afscheid nemen van en met elkaar en dan de stervende toevertrouwen aan God. Hoe bijzonder was het dat zoiets in zo’n moeilijke situatie – afscheid voor altijd – rust, intense zielenrust en aanvaarding geeft. Zowel bij de stervende als bij de achterblijvers. Eén keer gebeurde het dat de overledene de laatste adem uitblies tijdens de zegen. Net alsof iemand in een sterfbootje de doodsrivier naar de veilige kust overgaat en je diegene met de zegen naar de overkant duwt. Onbegrijpelijk bijzonder om mee te maken.

Dominees doen dat vaak. Het hoort bij onze core-business. Mijn eigen vader was het ook, dominee. 15 maanden lang was hij ziek, ongeneeslijk bleek. Door hoe hij én verdrietig was én graag bij ons wilde blijven én zich kon overgeven aan God, gaf hij mij als net 21 jarige een enorm voorbeeld van wat geloofsvertrouwen is. Op reis naar een plek waar je niet eerder was, maar waar je vertrouwt dat het goed is! Hij zei: ik kan jullie niet missen, maar ik kan wel zonder jullie….. Op de avond voor zijn dood ging hij – was hij nu de stervende of de dominee of beide? – rechtop zitten. Mijn moeder en ik zaten aan zijn bed. Hij was zwak, deed zijn armen omhoog en zegende ons met die woorden daarboven. Dat was intens slikken en nog eens slikken én afscheid nemen in vertrouwen. De dag daarna stierf hij, in rust.

Misschien heb ik wel geluk, met dat soort levenservaringen. Ze zijn natuurlijk enerzijds loodzwaar. De dood wordt door Paulus in de bijbel een vijand genoemd. Het is áltijd verdrietig: er sterft iemand. Ook al is er een soort vrede met het overlijden. Er stérft één van ons. Voorgoed voorbij. Voltooid – of juist onvoltooid! – verleden tijd! Als predikant vond ik het altijd enorm zinvol werk: lukt het om zó met de betrokkenen om te gaan dat zij in vrede en vertrouwen afscheid kunnen nemen? En lukt het om zo voor te gaan in een afscheidsdienst dat je én de verhalen over God én de verhalen over de gestorvene én de gevoelens van de achterblijvers rechtdoet? Prachtig als het lukte, tot in de grootste ellend, maar ik was altijd bekaf. De laatste jaren viel het me zwaar. Eén van de dingen waar ik blij om ben nu ik met pensioen ben, is dat ik dát niet meer hoef.

Ik heb nu 80% van mijn leeftijd gehad. Statistisch. Het kan morgen voorbij zijn, maar als ik net zo oud word als opa Willem van der Wel, dan heb ik nog 32 jaren…. Als jochie van 8 was het “later als ik groot ben”. Nu is het realistischer om te zeggen: “later als ik dood ben”. Al die ervaringen hebben me dus anderzijds gebracht dat ik de angst voorbij ben. Eigenlijk ben ik wel nieuwsgierig en kan ik er ook naar uitzien. Dat is wat anders dan dat ik niet graag (meer) leef. Maar juist dat niet bang zijn ontspant het leven nu. Veel levensangst is ook doodsangst: wat gebeurt er als ik er niet meer ben….? Naarmate je langer leeft komt die realiteit van de dood natuurlijk dichterbij. Als een ingrijpende operatie die je niet kúnt ontlopen. Maar dan nog veel heftiger. Bij een operatie neem je afscheid van je geliefden en ben je benieuwd of de dokters je kunnen helpen. Wel beter of niet beter? Maar je ziet je geliefden wel weer – waarschijnlijk – als je wakker wordt uit de narcose. Dit is afscheid voor altijd, eeuwige narcose. Vaarwel en niet tot ziens (althans niet hier!) Of wat dan ook maar….. Een donker gat, het eeuwige niets, de wormen of de oven?

Ooit mocht ik zelf “voorproeven”. T.t.v. corona lag ik thuis op een nacht naar adem te happen. Misschien had ik me beter kunnen laten opnemen, maar het was de tijd van het begin: mensen verdwenen achter de deuren van de ic en je mocht niet op bezoek. Zou je elkaar weer zien? Ik maakte het één keer mee dat een partner niet bij het overlijden mocht zijn vanwege corona. Samen met wat kinderen van die man gaf ik hem de zegen. Tien minuten later was hij dood. Dat was voor hem een uitkomst. Maar zijn vrouw mocht er niet bij zijn: gruwelijk! Dat nooit!  Ik hoorde de mensen ademen op tv, die richting ic gingen. Mijn adem klonk niet veel anders. Ik dacht dat ik het niet zou redden en een heel vreemde rust – Paulus noemt het een vrede die alle verstand te boven gaat – overviel me, viel over me heen. Het was goed zo. Totale veiligheid bij God en verdriet dat ik de geliefden niet meer zou zien. Beide als realiteit. Maar met die geliefden zou het ook wel goedkomen…, toch? Ook daar een raar soort rust: ik kan jullie niet missen, maar wel zonder jullie. Ik had het van mijn vader geleerd en het klopte toen voor mij. Dat voorproefje – proefsterven – helpt ook bij het omgaan met het onbekende bekende.

De dood is een feitelijke zekerheid. Iedereen kan het constateren, niemand kan het ontlopen. We gaan het allemaal. Het leven bij God is een geloofszekerheid. Niemand kan het constateren, ieder kan het hopen, mag het hopen. Ten diepste is het gefundeerd op de Paasmorgen, toen Jezus levend verscheen, opgewekt en opgestaan, aan zijn leerlingen. Op dat verhaal – dat geloofsfeit, dat is exacter gezegd – is het vertrouwen van mensen gebouwd dat ze in de handen van God vallen en daar veilig zijn. Ik heb het in de praktijk heel vaak zien werken. En over een tijd – God weet wanneer – ga ik het zelf meemaken. In vertrouwen. Ook in het besef dat mijn leven een proefwerk is. Van sommige dingen weet ik dat ik de vragen goed gemaakt heb. Van andere weet ik het niet zeker. Van weer anderen: ik weet dat ik fouten maakte, anderen kwetste, mensen om mij uit (Gods!) kerk verlieten en dat dat dus niet mijn opdracht was. Als Jezus aan het kruis komt, dan komt dat door menselijk (MIS!)handelen. Zijn antwoord: Vader vergeef het ze, ze weten (vaak…) niet wat ze doen. Welkom thuis…. – ik weet jou beter dan jij jezelf weet.[2]

Als 8 jarige ging ik ooit op schoolreis. De tijd van “later als ik groot ben….” Ik kende mijn klasgenoten nog niet zo goed, niet zo heel lang daarvoor waren we verhuisd. Mijn ouders zwaaiden mij uit, wat snoep mee, broodjes mee, paar guldens. Mee in de bus, die me wegreed van mijn ouders, deuren sloten achter ons. Voor het eerst écht zonder hen met alleen onbekenden op stap. Zij moesten mij loslaten, ik hen. Ik zag er naar uit én tegenop. We gingen naar een speeltuin, die fantastisch was, zeiden mijn ouders én de meesters en juffen. Er gingen ook wat ouders mee van kinderen uit de klas. Mijn ouders niet….. Met een mix van “eng, spannend, leuk, zin in, als het maar goed komt, het komt vast goed” gaf ik me over en liet me rijden door de bus en de chauffeur. Het kwam prima goed, heel anders en leuker nog dan ik dacht. Een verrassing. Iets daarvan…als op dat schoolreisje, zo zie ik het sterven, de tijd van “later als ik dood ben….” . Als een rups in een cocon, een kind in een bus en ontwaken als dezelfde in een totaal nieuwe entiteit. Tot volle bloei. Spelen voor Gods aangezicht met elkaar!

De verhalen over Jezus, de dingen die ik zag bij mensen bij het sterven…. Het komt vast goed. Over een jaar of 16 of zoiets. En daarom nu eerst: leven, dag voor dag. Het is een cadeautje van God en aan ons de vrolijke taak om het uit te pakken. De mooie en ook de pittiger dagen.

[1] Uit ballade van onsterfelijkheid van Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh

[2] Dat is een verwijzing naar het lied “Ken je mij….” van Huub Oosterhuis, gezongen door dochter Trijntje, aan de hand van psalm 139. https://www.youtube.com/watch?v=kHDvGTwZR2s

Van Oosterhuis is ook het Requiem. Mijn moeder vond dat prachtig. Ik ook. Het gaat zo:

Wat ik gewild heb, wat ik gedaan heb 

wat mij gedaan werd, wat ik misdaan heb 

wat ongezegd bleef, wat onverzoend bleef 

wat niet gekend werd, wat ongebruikt bleef 

al ’t beschamende, neem ’t van mij 

en dat ik dit was en geen ander 

dit overschot van stof van de aarde: 

dit was mijn liefde Hier ben ik.

https://www.youtube.com/watch?v=vAVvt9-uExM