Knooi’n is een mooi woord uit het dialect. Er zit veel in. Aan de ene kant iets ontspannens: knutselen. Mijn schoonvader was er een meester in, eindeloos in zijn schuurtje aan het prutsen. En soms kwam er iets geweldig moois uit. Maar prutsen en verprutsen liggen in elkaars verlengde. Soms ging het ook finaal mis en sloeg hij zich op zijn duim, verknooide hij waar hij mee bezig was. Het is net het leven zelf….. We knooi’n wat af als mensen. In deze rubriek gaat het daar telkens opnieuw over….
Zondag 18 oktober was het precies 39 jaar geleden dat ik bevestigd werd als dominee. Eigenlijk had ik graag déze zondag 18 oktober – 2026 -afscheid genomen in plaats van vorig jaar. De cirkel zou dan een soort van “rond” zijn geweest. Niet dus, want zolang hield ik het niet vol.
In 1987 – toen ik begon dus – word ik bevestigd door Jur, mijn zwager. Mijn vader – die een grote invloed heeft op mijn leven én beroepskeuze – stierf in 1983. Zou hij in 1987 nog hebben geleefd, dan zou hij mij bevestigd hebben. Zijn toga wordt dan om mijn schouders gelegd. Daar zit geloof in: het woord, de trouw, de liefde van God zijn sterker dan de dood. Het gaat wél door! Elisa trekt de mantel van Elia aan als Elia aan het einde van zíjn leven is.
Die mantel voelt vriendelijk en veilig, want zo heb ik God leren kennen: vriendelijk, veilig als het licht. In zekere zin heeft mijn vader dat aan mij doorgegeven: hoe hij ziek was en zich in heel veel shit veilig voelde bij God en in rust stierf, dat waren voor mij Godsbewijzen.
De mantel voelt ook als passend. Je hebt mazzel als je iets mag doen in je werkzame leven dat als “gegoten” zit. Het is bijzonder werk.
Over passende mantels: ik vind iemand die vrijwillig bij de brandweer gaat altijd heel bijzonder. Het werk lijkt ergens op dat wat ik deed, maar dan nog universeler en ingrijpender. Op vrijwillige basis stel je je beschikbaar om mensen die plotseling serieus in de problemen komen te helpen. Vaak in risicovolle omstandigheden. Een brandend huis met misschien wel een kind erin. Een auto in het water met nog mensen erin. Een ongeluk waarbij mensen vastzitten in een auto en ze moeten worden gered. Het is nog weer anders dan bijvoorbeeld een eerste hulp arts in het ziekenhuis. In het ziekenhuis komen er mensen naar jóu toe, maar de brandweer gaat er zélf op uit. Naar die mens in nood. Ongeacht wie het is: rijk, arm, geaardheid, kleur, levensovertuiging, misdadiger of juist niet, man, vrouw. Ieder mens telt bij de brandweer. Jij trekt je pak aan als het alarm gaat en dan ga je er zo snel mogelijk, als de brandweer op uit.
Zo’n jas moet je ook gegoten zitten. Je moet, denk ik, van wat avontuur houden, reuring leuk vinden. En, denk ik ook, van een fikkie houden. Tegelijk loop je ook gevaar bij wat je doet. Eén van de eerste dingen die een brandweerman/vrouw leert is: je mag pas gaan helpen als je weet dat je zélf veilig bent en je je collega’s niet in gevaar brengt. Daar zit logica in: als je zelf gewond of verbrand raakt heb je daar jezelf mee, je gezin, je geliefden én je collega’s. Bovendien: je kunt als je gewond raakt niet meer werken bij de brandweer. Niet meer doen waar je zo van houdt!
In feite lijk je als vrijwillige (maar ook beroeps!) brandweermedewerker dicht op de mens die een gebod uit de bijbel hoort: heb de ander lief zoals je jezelf lief hebt. Wat betekent dat eigenlijk in de praktijk? Waarom in de praktijk? Nou…, daar moet het worden gelééfd, dáár draait het om leven en dood, elkaar het leven zuur, moeilijk, makkelijk maken. Ter wille zijn of laten stikken.
Eerst maar twee dingen: onze uitleg is denk ik wat 21e eeuws. Zorg goed voor jezelf. Gezond advies. Zo leggen wij het dus vaak uit: er moet balans zijn. Je eigen inzet ten behoeve van de ander kan niet zó ver gaan dat je er zelf aan onderdoor gaat. Wie dat grenzeloos doet (of te veel onbegrensd) brengt zichzelf in de problemen. Dat heb ik gedaan. Daar kom ik op terug.
Je vindt dat overigens ook gewoon terug in de bijbel, heel nuchter. Paulus, de apostel, ziet tot zijn vrolijkheid dat mensen in Korinthe bereid zijn om op vrijwillige basis mensen in Jeruzalem die hartstikke krap zitten te helpen. Dat wij geld aan andere landen geven, mensen die we niet kennen (zoals de brandweer ook op pad gaat om onbekenden te helpen) is dus niet nieuw. Wel voegt Paulus er nuchter aan toe: 12Als u namelijk bereidwillig geeft van wat u hebt, worden uw gaven met vreugde aanvaard; u hoeft niet te geven van wat u niet hebt. 13Het is niet de bedoeling dat u door anderen te helpen zelf in moeilijkheden raakt. Er moet evenwicht zijn. 14Op dit moment lenigt u met uw overvloed de nood van de heiligen in Jeruzalem, zodat zij later met hun overvloed uw nood kunnen lenigen. Zo is er evenwicht, 15zoals ook geschreven staat: ‘Hij die meer had, had niet te veel; hij die minder had, had niet te weinig.’[1]
Het verhaal dat het meeste lijkt op de brandweerman is het verhaal van de Samaritaan.[2] De beroemde gelijkenis van Jezus gaat over iemand die onverwacht op zijn pad een mens in nood tegenkomt. Jezus vertelt het verhaal als antwoord op de vraag van een bijbelgeleerde. Die wil weten wat volgens Jezus het belangrijkste gebod voor het leven is: “heb je naaste lief als jezelf” is het antwoord. Eigenlijk het antwoord van de brandweerman….. Dan stelt de bijbelgeleerde de vraag: maar wie is mijn naaste dan? Een logische vraag. Hoe ver gaat dat “liefdhebben”. Het Grieks, de taal waarin de verhalen over Jezus van origine geschreven zijn, heeft meer woorden voor “liefhebben”. Onze taal is in dat opzicht armer. Hier gebruikt Jezus – en dat is het telkens gebruikte woord in het Nieuwe Testament – agape. Het beste te vertalen met “onvoorwaardelijke liefde, zonder aanzien des persoons.”[3] Dat wat de brandweerman/vrouw in de praktijk brengt.
Het aanstootgevende voor de mensen aan wie Jezus het verhaal vertelt is dat de Samaritaan “the good guy” is, waarbij Joden in die dagen neerkijken op Samaritanen. In feite in dezelfde harde sfeer als waarmee in onze samenleving veel gepraat wordt over “asielzoekers/buitenlanders”. Er wordt, zo vertelt Jezus iemand op de weg van Jeruzalem naar Jericho in elkaar geslagen en beroofd. Gewond blijft diegene achter. Zeer hulpbehoevend. 112 is dringend gewenst. Er lijkt hulp te dagen: er komen respectievelijk een priester en een leviet langs die de gewonde man op hun pad zien. Ze komen terug uit Jeruzalem, gaan naar Jericho waar ze wonen. Ze hebben hun dienst erop zitten, voor God. Ze zouden als beroepsgelovigen kunnen en moeten weten dat je iemand helpt. Ze zien – zo vertelt Lucas het verhaal – en gaan voorbij. De Samaritaan ziet en hij wordt innerlijk (splangnizomai, staat daar in het Grieks: medelijden krijgen, er letterlijk buikpijn van krijgen) geraakt. Hij kán niet anders dan helpen. Het zal jóu maar overkomen….., dat je zo in elkaar geslagen wordt…..
Dat is vooral de Jóódse manier van kijken. Onze manier van kijken is dus “het moet niet al te erg ten koste van jezelf gaan”. Joods is: heb je naaste lief, want die is net zo kwetsbaar als je zelf. Ergens anders vat Jezus de kern van Gods wil zó samen: behandel andere mensen zoals je zelf behandeld zou willen worden. Als jij gewond langs de weg ligt…, dan zou jij toch ook graag willen dat ze jóu helpen. Nou dan.., loop niet voorbij! De enige die dat dus niet doet is de man van wie je dat het meest verwacht dat die wél voorbij zou lopen: de Samaritaan.
Tegelijk is ook die Samaritaan bezig een balans te vinden tussen “zichzelf” én de “gewonde”. Hij voelt met zijn buik en denkt met zijn hoofd: deze man help ik het beste door hem naar een herberg te brengen. Dáár moeten ze hem verzorgen. Ik help hem niet door hem in mijn huis te halen, ook niet door hem op mijn ezel mee te nemen. Daar wordt híj niet beter van en ik ook niet. Eerst geeft hij zélf de man eerste hulp. Als hij de man bij een herberg – hulporganisatie – brengt, zorgt hij ervoor dat hij goede verzorging krijgt. De Samaritaan betaalt er zelfs voor! En dan gaat hij zijn eigen gang weer én zoekt hem weer op. Jezelf én de ander. Aan het einde van het verhaal vraagt Jezus: wie is nu de naaste geworden van de gewonde? Daarmee keert hij de vraag van de bijbelgeleerde om. Die vraagt: wie is mijn naaste? Hij is in zekere zin daarmee vooral op zichzelf gericht en probeert het lijstje klein te houden. Jezus keert het om: op het moment dat jij je van binnen laat raken word jij de naaste van een ander. Dan behandel je iemand zoals je zélf in vergelijkbare omstandigheden behandeld wilt worden.
Empathie dus. Inleven, invoelen bij de ander. Zoals je graag wilt dat ze dat ook bij jou doen.
Mijn werk, – vrijwillig gekozen, wél voor betaald gekregen – leek op dat van de brandweermensen. Dokters…, daar moet je een afspraak mee maken en naar hun praktijk gaan. Psychologen, fysiotherapeuten, maatschappelijk werkers: zelfde verhaal. De dominee…, die ging zomaar op zoek en bezoek bij mensen. Al dan niet binnen de kerk. Universeel. Zeker als ik wat hoorde, dat er iets ingrijpends, verdrietigs was. Daarmee ben je als predikant vaak “EHBO”er. Soms los je dan zelf iets op vanuit je roeping. Soms heb je ook een andere hulpverlener nodig, een herberg…… Zo kwam ik bij veel mensen binnen, werd ik binnengelaten. Letterlijk en figuurlijk. Dankbaar én heftig, net als bij de brandweermensen. Kanker, zelfdoding, scheiding, moord zelfs, verlies, schulden, verdriet, you name it. Vaak dus: balanceren tussen “zorg ik goed genoeg voor mezelf, want dan kan ik ook voor de ander zorgen”. Ook: hoe zou ik zélf nu behandeld willen worden. Hoe kan ik die ander dus helpen?
Ik geloof niet zo dat een mens “totaal in balans” kan zijn. Daar ben je zelf als mens te wispelturig voor en het leven is dat nog veel meer. Als je maar wat binnen marges kunt balanceren en op gezette tijden gas terug neemt. Dát is leven. Jezelf en de ander liefhebben, de ander en jezelf. En God die van ons allemaal houdt. Op z’n agapès.
Dat ging dus lang goed…. Corona maakte me ziek. Ik hield minder van m’n energie over dan ik had. En daarna probeerde ik met die restanten weer net zo hard te werken als voor die tijd. Harder nog… Dat gíng dus niet goed. Niemand is onkwetsbaar. Het was ook niet de eerste keer dat ik tegen grenzen aanliep en/of erover heenging. Wél dat het daardoor niet meer ging. Het is dan bijzonder: rollen worden omgedraaid. Even niet “de Samaritaan” of “de brandweermens” maar langdurig de gewonde, die niet zo goed meer verder kan. Dat is een pijnlijke en helende ervaring door elkaar heen. Het is verdrietig dat je niet meer kan wat je kon en waar ik zo van hield. Je raakt iets van jezelf en je zelfbeeld kwijt. Het is helend om te merken dat ik er als mens niet minder om ben en dat er ook een tijd is dat een mantel die als gegoten zat te zwaar wordt. En dat hij af moet én zelfs mag! en dat er dan nog genoeg moois overblijft. Dat zijn een paar zinnen maar die beschrijven een weg die mij zo’n 9 maanden kostte: tijd van verwekking tot aan geboorte van een nieuw mens….
Ook de brandweerman/vrouw gaat er vaak eerder uit, omdat het werk te zwaar wordt. Rond hun 59e…. Alle respect voor hen. Dan heb ik mijn werk toch nog mooi 5 jaar langer mogen doen. Ik ben dankbaar voor wat ik mocht doen. En blij dat het niet meer hoeft. Het leven is goed zo.
[1] 2 Korinthiërs 8
[2] Lucas 10:25-37. Het is prachtig om te zien hoe Lucas met een verháál vertelt hoe je liefhebben in de praktijk doet. Overigens: hij doet hetzelfde óók met een verhaal over God liefhebben boven alles. Dat staat in het verhaal achter dat van de Samaritaan: Lucas 10:38-42, over Martha en Maria.
[3] Dat woord “agapè” is dus ook de aard van de liefde waarmee wij zélf worden bemind door Christus. Er wordt van ons gehouden om wie we zijn. Niet om wat we doen of misdoen. Je uitsloven voor God betekent niet meer credits en likes van God. Falen betekent omgekeerd niet dat God je laat vallen. Misschien is de faalervaring juist wel een mooie gelegenheid om te ervaren dat als je kwetsbaar bent er ook van je wordt gehouden…..