Ik probeer verder te schrijven over wat Paulus schrijft in Galaten 5 en sta deze keer stil bij dit zinnetje: “Wandel door de Geest…..”[1]
Het is in mijn ogen wat voor Paulus in zijn nieuwe manier van leven écht de kern is van het bestaan. Ik vind het dus ontzettend wezenlijk! Ik hoop dat ik daar wat van kan overbrengen in dit stuk.
[1] Galaten 5: 16a
Geest…. Ooit was ik op de 30+ kring en toen ging het over “Geest”. Het was wat vaag…, wat is nou Geest? “O,” zei één van de mensen na verloop van tijd, “eigenlijk bedoel je met Geest dus gewoon God en dat je die van binnen in je leven merkt! Zeg dat dan gewoon. Geest klinkt zo wazig”.
Ze had gelijk. Het gaat erover dat Gods invloed je wezen, wie je bent, diep doordrenkt, beïnvloedt. In wie je bent en in hoe je leeft, denkt en doet. Tot zover de kern. Maar het valt ook wel wat uit te verdiepen en dat wil ik proberen.
“Geest” is in onze taal vooral “spookachtig”. Aan de andere kant herkennen we bij onszelf en elkaar ook allemaal dat we zélf een geest hebben. Daar woont je gevoel, je gedachten, je binnenwereld. Er kan somberheid wonen, vrolijkheid, haat, liefde, opbeurende gedachten, neerslachtige gedachten, noem maar op. Dáár, op die binnenwereld, wil de Geest van God invloed hebben. Sterker nog, de bijbel noemt het “wonen”. Gods Geest die in onze geest wil wonen. Of nog meer: in ons lijf. Want dáár woont onze eigen geest natuurlijk ook. Je kunt niet met een mri-scan laten zien dat ter hoogte van je navel of zo “je geest” als orgaan, noch op énig ander plekje. Aan de andere kant zeggen veel mensen die iets van God ervaren dat ze dat ergens “in hun buik/hart” voelen. Ik herken dat. Jij misschien ook?
De bijbel is van origine in twee talen geschreven. Het oude testament is geschreven in het Hebreeuws, het nieuwe in het Grieks. Het Grieks in de dagen van Jezus en Paulus is wat het Engels nu is: dé internationale taal. Nu gebruikt het Hebreeuws het woordje “ru’ach” voor geest. Het Grieks gebruikt “pneuma” (luchtdruk, pneumatische drilboor). Beide woorden betekenen niets spookachtigs, maar vooral “adem, wind/geest”. Wind en adem zíe je beide niet, maar mérk je wel. Het zet dingen in beweging, brengt leven. Is er geen wind, dan wordt het bladstil en in de zomer snikheet. Is er geen adem dan stik je. Om het duidelijk te maken neem ik twee Bijbelteksten, die met elkaar te maken hebben. Over beide ga ik wat zeggen om zo duidelijk te maken wat “leven door de Geest” is en hoe diep wezenlijk het is:
De eerste komt uit het Oude Testament en gaat over de schepping van de mens:
Toen maakte de HEER God de mens. Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levend wezen.[1]
Er zijn mensen die de evolutietheorie ingrijpend vinden. We stammen toch niet van apen af? Ik denk dat die twee – schepping en evolutie – prima te combineren zijn. Wellicht schrijf ik er later wel een keer over. Maar het is met ons mensen nog veel ingrijpender gesteld: we zijn een klompje klei, een handvol aarde. Adam, betekent mens. In het Hebreeuws staat er “adamah”, aarde betekent dat. Adam is een aardmensje. Meer niet, minder ook niet. Zo broos en sterfelijk en stoffelijk als het maar kan. Dat we leven krijgen – in de neus geblazen – is een hartelijke gunst. De Engelsen hebben twee woorden voor genade: grace en mercy. Het eerste – grace – is gracieus, hartelijk, gunnend. Leef maar, klompje klei! Je leeft omdat de Schepper aardigheid (grappig woord voor een aardmensje, dat is wat we zijn) in ons heeft en ons het goede leven gunt. Een enorme tuin, bloeiend leven en ten laatste ook nog de liefde!
Ieder van ons heeft vast wel eens een geboorte gezien op tv. Of wie weet zag je het “live”. De geboorte van onze vier kinderen vergeet ik nooit meer. Drie werden levend geboren, één te vroeg en “stil”, zoals we dat nu zeggen. Dat eerste kreetje, als de ádem in een mens gaat, het huiltje. Dat is zo puur, zo kwetsbaar, zo aards en eigenaardig en mooi. Zoals het hartverscheurend is als het kindje niet ademt. In dit scheppingsverhaal wordt verteld hoe God de Schepper dol is op mensen en op ons geluk. Zijn adem in onze neus. Zijn liefdeswens: leef, van alle bomen mag je eten, behalve eentje, want dat verstoort het geluk.
Niet iedereen die dit leest zal erbij zijn geweest – gelukkig maar – toen een geliefde stierf. Het is niet alleen maar eng, er zit ook iets dieps, moois, kwetsbaars en afhankelijks in. Die laatste ademteugen en dan stopt het definitief. Je bent er geweest, voorbij. Nooit meer. Zo’n lichaam is – zeker na verloop van tijd – zo echt “dood”.
Dat brengt bij de tweede tekst, die uit het Nieuwe Testament. Het gaat over de trouw aan de kwetsbare en feilbare mens.
Daar gaat het ook over “genade”, maar dan meer over “mercy”. Medelijden, ontferming. Een andere kant van de royaliteit, de trouw van God. Waar de grace uitbundig en hooggestemd is, graaft de mercy dieper. Maar het is wél twee kanten van één medaille: de liefde van God in actie.
19Op de avond van die eerste dag van de week waren de leerlingen bij elkaar; uit angst voor de Joden hadden ze de deuren op slot gedaan. Jezus kwam in hun midden staan en zei: ‘Vrede zij met jullie!’ 20Na deze woorden toonde Hij hun zijn handen en zijn zij. De leerlingen waren blij omdat ze de Heer zagen. 21Nog eens zei Jezus: ‘Vrede zij met jullie! Zoals de Vader Mij heeft uitgezonden, zo zend Ik jullie uit.’ 22Na deze woorden blies Hij over hen heen en zei: ‘Ontvang de heilige Geest. 23Als jullie iemands zonden vergeven, dan zijn ze vergeven; vergeven jullie ze niet, dan zijn ze niet vergeven.’[2]
Hier zitten leerlingen bij elkaar in de verdrietige, donkere en mislukte kanten van het leven. Alles wat God niet bedoelde toen Hij zo gracieus mensen de adem in de neus kuste. Verdrietig: Jezus, hun held, hun vriend, hun leraar, hun hoop is op gruwelijke wijze gestorven. Ze missen Hem. Donker: er is een onschuldige vermoord door rechtspraak en een nobel, liefdevol mens die over God sprak is door geestelijke leiders bewust om zeep geholpen. Mislukt: je wilt er voor je vriend zijn in het diepst van de ellende, maar allemaal zitten ze met een gruwelijke kater over hun eigen gedrag.
Dan is Jezus er. Hij doorbreekt deuren, angsten, somberheid, schuld. Hij verschijnt en scheldt ze niet verrot, maar wenst ze “vrede”. En schenkt ze vergeving, mercy. Goedheid zonder dat je daar aanspraak op kunt maken. Hij blaast over ze heen, zoals dat bij de schepping gebeurt/de. Nu wordt het her-schepping, nieuwe kans. Het leven wás al één en al geschenk bij je geboorte. Het leven krijgt een nog diepere gestalte als geschenk, nu het donker, kater, kwaad, dood wordt overwonnen en je “de Heilige Geest” (opnieuw!) krijgt. Nu in de gestalte van de vergeving. Liefde was altijd al zonder voorwaarden, een cadeau. Dat blijkt nu dus écht wáár te zijn, nu in een situatie waarin mensen zich kwetsbaar, feilbaar en mislukt voelen er juist dán van hen wordt gehouden. Vergeef de zonden…., zo zend ik jullie de wereld in. Een nieuwe kans als een nieuwe geboorte, een nieuw – vernieuwd! – leven.
De leerlingen worden “beblazen”. Ze gáán de wereld in, worden in beweging gezet. Waarom gaan ze? Het zou logischer zijn geweest als ze zich in Kapernaüm hadden teruggetrokken, staart tussen de benen, met een beschadigde ziel. Ze gáán omdat in hen de liefde van God binnenin komt wonen en ze niet anders kunnen én willen dan gáán. Dit is het!!!!!! Grace en mercy inéén. Onze Schepper wil ons van harte. En als we gigantisch op onze bek gaan – sorry voor het woord, maar dan snap je het – en onze feilbaarheid, kwetsbaarheid en sterfelijkheid diep doorvoelen, dan, juist dán is er een gevoel, een werkelijkheid (!) die nog veel dieper gaat: we zijn bemind tot op het bot. Waarom? Omdat Hij van ons houdt. Van den beginne en ín den beginne, in beginsel, totaal onvoorwaardelijk!
Hoe maak je jezelf dit nou eigen? Laat me het proberen zo concreet mogelijk te maken.
Paulus gebruikt de uitdrukking “wandel door de Geest”. Daar zit dus “rust” in én vriendschap. Tot halverwege de 19e eeuw was er geen trein of fiets, laat staan een auto. Het leven verliep trager. Dat betekende niet dat mensen niet gejaagd en gehaast konden zijn. Stress is van alle eeuwen, lees de psalmen er bijv. maar op na. Maar de uitdrukking “wandelen” is in de hele bijbel hét woord waarmee wordt aangegeven hoe God met ons wil omgaan. Wandelend.[3] Als twee vrienden die door en door met elkaar vertrouwd zijn en voor wie je je niet anders/beter voor hoeft te doen dan je bent. Je ként elkaar immers van haver tot gort, van hart tot nieren. Maar zoiets vraagt dus rust en tijd en dat je dat integreert, plant in je dagelijks leven. En dat door de dag heen.
Als je wakker wordt en opstaat, neem iedere morgen even tijd om een paar keer diep adem te halen en te beseffen dat deze dag opnieuw een geschenk is voor jou. Gracieus cadeau!
Als het je lukt – maar dat is ook een kwestie van prioriteit/prioritijd – bouw een paar keer wat tijd in je dag in om tot rust en tot God te komen. Dat kan al bij de douche als je jezelf wast, afdroogt en aankleedt. Realiseer je dat dat lichaam van jou dat je aan het verzorgen bent, klompje klei óók een tempel is waar God wil zijn. Dat klinkt wat vaag en wellicht wat hoogdravend. Maar maak het heel concreet: mijn lijf wordt ouder, ik mis wat kiezen, mijn amandelen, mijn gal…. Het rimpelt en wordt strammer, mijn haar wordt grijzer, witter. Kwetsbaar. Ik doe dingen prima en doe dingen dom. In dat lijf, met díe mens wil God verbonden zijn als een vriend en het (mij, jou!) iedere dag de levensadem geven.
Sta erbij stil, zoek je momentjes door de dag heen, niet alleen op zondag. Vind een manier om je omgaan met God vorm te geven: wandelend, zingend, stil zijnde, bijbel lezend. Tijd voor vriendschap met de Eeuwige is Eeuwige vriendschap.
Misschien vind je dat wennen en onnatuurlijk? Ik zet er iets grappigs naast: sinds anderhalf jaar slaap ik met zo’n apneu-apparaat. Ik had ademstops, vermoedelijk omdat m’n keelspieren verslappen met het klimmen der jaren. Nu lig ik dus permanent in de nacht aan de “beademing”. Dat apparaat blaast de hele tijd lucht in m’n neus. Het lijkt God wel😊. In het begin is dat erg wennen. We zijn niet geboren en geschapen met zo’n apparaat. Maar het wént wel en nu wil ik niet meer zonder. Het werkt….. Ik word fitter, onder andere door dat apparaat. De Heer geeft het z’n beminden in de slaap😊. Wat in het begin vreemd was en onnatuurlijk heb ik nu geïntegreerd in mijn leven en wil ik er niet meer zonder. Zoiets kan het ook zijn als je jezelf in je omgaan met God meer tijd gunt.
Wordt het geen navelstaarderij, dat wandelen met God? Het moet toch wel een beetje down to earth blijven, met de beide poten in de aarde, want we zijn toch aardmannetjes? Ik denk dat Paulus zegt: het wordt er alleen maar aardiger en menselijker van. Maar dan moet ik wat gaan schrijven over de vruchten van de Geest, de uitwerking van de omgang met God. Dat komt dus ook direct aan de orde, in Galaten 5. Dat vraagt om een volgend stuk….
[1] Genesis 2:7
[2] Johannes 20:19-23
[3] Toen Abram negenennegentig jaar oud was, verscheen de HEERE aan Abram en zei tegen hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht en wees oprecht. Vaak wordt gezegd dat Gods verhaal/verbond met mensen écht begint met Abraham. “Wandelen” is de opdracht die de “vader van de gelovigen” krijgt. Het is doodzonde dat dit in de NBV niet als zodanig wordt vertaald.