Wil je het wat deftiger zeggen, dan klinkt het Franse woord “essay”. Maar dat is in gewoon Nederlands “probeersel”. Ik hou niet zo van deftig en ook niet van pretentieus. Ik ben geen toptheoloog. Wel ben ik al sinds 1980 bevlogen bezig met theologie en de bijbel. Ik ervaar God, de bijbel als een soort Grote Oceaan. En mezelf – net als veel anderen – een oceaanbioloog. Dat klinkt als “heel wat”, maar die Oceaan is zoveel malen groter en onbekender dan wat de bioloog kan overzien, dat het eigenlijk “bar weinig is”. Maar “bar weinig” is meer dan “niks”. Op zijn sterfbed zei Maarten Luther – die de bijbel totaal vertaalde en er dus helemaal doorheen gekropen was, naar letter en naar geest – zoiets als “wij zijn bedelaars, dat is waar”. Hij bedoelde: God en de bijbel zijn zoveel groter dan wij kunnen denken en zeggen. Ik kan niet bij Luther in de schaduw staan. Ben een oceaanbioloogje dat stukjes over probeert te overdenken: niet over de oceaan, maar over God. Ik geef het graag voor beter.
Over hoe God de mensen met zich verzoent.
In de theologie én in het geloof van mensen speelt “de verzoening” van God met de mensen een grote rol. Vaak is de centrale gedachte: de mens heeft gezondigd tegen God. Als je fouten maakt, dan moet dat a. worden bestraft en b. de schade moet hersteld/betaald. De schade was zo groot en (bijna) onherstelbaar dat wij mensen dat niet konden. Te zwak, te zondig, te slecht. Daarom is Christus gekomen: om met zijn leven te betalen/boeten voor wat wij fout hebben gedaan (zo wordt God gecompenseerd) en op die manier kan God – Hem wordt recht gedaan in de schade die Hem is berokkend – ons vergeven. De schuld is verzoend doordat Jezus de straf op zich heeft genomen. Om in het beeld van de manege te blijven: omdat Jezus sterft mogen de paarden weer terugkomen op een plek die ze met hun gedrag – gedachten/daden/instelling – compleet hadden verspeeld.[1]
Mijn stelling is de volgende: in de bijbel gaat Jezus namens God zijn Vader naar mensen toe om hen zó van de liefde van de Vader te overtuigen, dat ze zich met God laten verzoenen. De verzoening gaat dus van God uit, Hij is de partij die zich actief inzet voor het herstel van de relatie. Dat is bijzonder, want feitelijk wordt Hem kwaad aangedaan, dus eigenlijk zou Hij moeten “afwachten” totdat wij al dan niet met hangende pootjes, excuses en zelfinzicht bij Hem zouden komen. En dan kan Hij verzoening evt. met ons sluiten. Maar de beweging is dus omgekeerd! Hij zoekt mensen op, stapt over zijn eigen gekwetstheid heen en vanuit zuivere liefde benadert Hij ons en krijgt het (in veel gevallen) nog voor elkaar ook dat mensen zich laten winnen voor zijn liefde. En dat doet ons dan immens goed en zet ons leven op een gezonde manier op de kop. Zelfs als mensen in hun verdwazing Jezus doden[2] en zich daarmee onmogelijk maken voor God is juist dát de ultieme manier voor God om te laten zien, dat Hij écht onvoorwaardelijk van ze houdt.[3]
Bedenk ik dit? Nee, je vindt dat terug in dít zinnetje van de apostel Paulus: “inderdaad, God heeft in Christus de wereld met zich verzoend: Hij heeft de wereld haar overtredingen niet aangerekend. En ons heeft Hij de verkondiging van de verzoening toevertrouwd.”[4] Let dus op wat er staat, grammaticaal! Er staat niet “God heeft ZICH in Christus met de wereld verzoend (dat zou zeggen: God was de partij die tegenover de wereld stond en weer “goed moest worden, verzoend moest worden). Er staat wél “God heeft in Christus de wereld met zich verzoend”: m.a.w. door deze daad slaagt God erin om de mensen van zijn liefde (van den beginne!) te overtuigen. De manege gaat achter het verdwaalde en verdwaasde paard aan en overtuigt het zo dat de paard overtuigd raakt (vertrouwen wint, geloof hecht aan) om veilig naar de stal te gaan en daar z’n/haar bestemming te vinden.
Nu heeft Paulus niet het imago van “die schrijft lekker makkelijk….”. Integendeel, zelfs. Mijn ontdekking in de loop der jaren is dat je Paulus’ brieven beter begrijpt als je ze leest vanuit wat hij zelf meemaakt in zijn leven. Daarom nu: de stelling hierboven ga ik uitleggen aan de hand van het levensverhaal van de apostel Paulus.
Verzoend raken met God is verzoend raken met jezelf, van top tot teen.
De aanloop
Paulus krijgt als geboortenaam Saulus mee. Dat is wel grappig: Saul is de eerste koning uit Israëls geschiedenis en van hem is bekend dat hij met kop en schouders boven zijn volksgenoten uitsteekt en ook nog eens knap om te zien. [5] In een buitenbijbelse bron wordt Paulus omschreven als een kleine, kalende man met o-benen, met samengeknepen wenkbrauwen.[6] Op latere afbeeldingen en iconen wordt hij vaak ook op die manier afgebeeld. Het is de meest logische verklaring voor zijn latere naamsverandering in “Paulus”: kleintje. Het zou zomaar een geuzennaam kunnen zijn: een diepe acceptatie van wie hij echt is met alle vrede die daarbij hoort.[7] Vanaf Handelingen 13:9 wordt hij (dat is ná de voor hem zijn leven veranderende gebeurtenis bij Damascus) door Lucas stelselmatig Paulus genoemd.[8]
Ondertussen is die naam Saul én zijn afkomst lange tijd van enorm van belang voor hem. Als het gaat om de vraag “wat/wie geeft mij identiteit?, wat maakt mij tot wie ik ben?” dan is Saulus niet anders dan andere mensen. We zoeken een soort van zekerheid op basis van wat Paulus herhaaldelijk in zijn brieven noemt “vlees”. Het is het Griekse woordje “sarks” (letterlijk: vlees dus). En het betekent allereerst gewoon “mens” in al z’n ruwvormen. Dat zijn we dus, sarks: stoffelijk, sterfelijk. En nou proberen mensen hun bestaan een soort van recht te geven, te bewijzen dat het zinvol is dat wij er zijn náást een ander – het liefst er niet onder, beter nog: een beetje erboven – op basis van uiterlijke, stoffelijke dingen. Want zo kun je dat woordje “sarks” ook vertalen. Dus: op basis van je huidskleur, je afkomst, je geslacht, je geaardheid, je carrière, je uitstraling en uiterlijk, hoe je ligt bij andere mensen, hoe je presteert als voetballer, zakenvrouw. We hebben veel criteria waarmee we onszelf en anderen de maat nemen, kijken wat/wie goed en wat fout is in je eigen ogen en die van een ander. Het is een wreed menselijk, ontmenselijkend gezelschapsspel, waarbij er altijd winnaars en verliezers zijn en mensen worden ingedeeld in groepjes. Het zit er bijna van den beginne in….[9] Het haalt je weg uit je onbevangenheid en we gaan onze zwakke – althans waarvan we vinden dat ze dat zijn – plekken verbergen uit angst voor wat een ander ervan vindt. De bijbel noemt zoiets “zonde”, het is een eindeloos verslavend en vermoeiend spelletje. Je mist er je levensdoel mee (zonde, chatah in het Hebreeuws betekent letterlijk “je doel missen”)
In de tijd en omgeving van Saulus zijn er ook criteria waarmee je jezelf kunt bewijzen. Zijn omgeving is een door en door religieuze[10] en ook dát – het religieuze – laat zich gebruiken (mis-bruiken!) om anderen de loef af te steken en je eigen onzekerheid te overschreeuwen.
Als jonge man groeit hij op in Tarsis, Zuid-Turkije. In die dagen een moderne en grote stad. In zekere zin is hij – net als veel Joden die buiten Israël wonen – een man van twee werelden. Zijn ouders zijn vermoedelijk niet onbemiddeld, want ze kunnen hem laten studeren in Israël bij één van de beroemde rabbi’s in die dagen: Gamaliël. Wellicht zijn zijn ouders ambachtsmensen geweest: Paulus blijkt later leer te kunnen looien en tenten te kunnen repareren en zo als het moet in zijn eigen onderhoud te kunnen voorzien. Hij is Romeins staatsburger en dat geeft hem rechten, die hij later handig weet te gebruiken. Zijn wat jongere tijdgenoot – Flavius Josephus[11] – brengt het tot aan het Romeinse hof waar hij een paar boeken schrijft over de Joodse geschiedenis. Er is in die dagen oprechte belangstelling voor de cultuur en de wetten en staatsinrichting van de Joden. Er zijn dus enerzijds contacten – Paulus is daar later ook goed in en maakt gebruik van zijn Romeinse rechten als staatsburger! – en anderzijds is er ook de eigen identiteit.
Paulus bouwt zijn identiteit op “uiterlijke dingen” die wellicht bij ons op de Veluwe in de biblebelt nu ook een soort van tellen: hij is er lange tijd trots op zijn afkomst: “(…..)op afkomst en prestaties, 4hoewel ik alle reden heb om daarop te vertrouwen. Als anderen menen dat te kunnen doen, dan kan ik dat zeker. 5Ik werd besneden toen ik acht dagen oud was en behoor tot het volk van Israël, tot de stam Benjamin, ik ben een geboren Hebreeër met de wetsopvatting van een farizeeër, 6ik heb de gemeente fanatiek vervolgd en ten aanzien van de rechtvaardigheid die de wet voorschrijft was er op mij niets aan te merken.[12]
Dat Paulus die gemeente van Jezus vervolgt is gezien zijn opleiding opmerkelijk. Hij is in de leer bij Gamaliël, een Farizeeër die rabbi is, en die is juist mild waar het gaat om mensen van “de weg”, de nieuwe Joodse afsplitsing.[13] Als Saulus bij een terechtstelling van Stefanus – een Griekssprekende Jood – aanwezig is, past hij op de jassen van de mannen die het vonnis voltrekken. In zijn afscheidswoorden hekelt genoemde Stefanus Joden áls Saulus: jullie hebben de Rechtvaardige vermoord! Denken jullie echt dat God in die tempel van jullie wil wonen? Sterker nog: jullie hebben de wet ontvangen, maar je leeft er niet naar”.[14]
Die rede tast het hart aan van het systeem waarop Saulus’ identiteit gebouwd is. Sterker nog, later zal hij erop terugkomen: “Die wetten van God zijn eigenlijk prima en nog steeds geldig míts gebaseerd op liefde. De liefde is de vervulling van de wet. Alle geboden moeten zó worden “toegepast in het dagelijks leven”, dat het het leven bevordert en de naaste geen kwaad wordt gedaan.[15] Evenwel: de zonde gaat met die wetten aan de haal, dat zal zijn ontdekking worden. Dat zinnetje moet ik uitleggen. In plaats van dat wetten de menselijkheid bevorderen worden het meetlatten en middelen om elkaar te beconcurreren en te veroordelen. Wie houdt zich het beste aan de wet, die staat het hoogste aangeschreven. Die mag ook naar “de tempel” komen waar de allerhoogste God woont en heeft enige kans om door deze God gerespecteerd te worden. Die tempel – en het heilige der heiligen als summum ervan – is symbool voor het “wie het beste z’n best doet, mag nabij komen”. En omdat niemand dat écht kan, is er een serie aan offers die dagelijks én jaarlijks (grote verzoendag) worden gebracht. Het paard moet erg z’n best doen om in de stal welkom te zijn….
Het is het aloude mechanisme maar dan wel op een heel akelige manier. Wat tot leven zou moeten leiden (de liefde doet de naaste geen kwaad), leidt tot onmenselijkheid.[16] En Saulus in zijn pogen iemand te zijn in eigen en andermens’ ogen heeft juist die wet als Farizeeër heel strikt nageleefd. In zichzelf is het uiterlijk “geen mooie man” – daar moet hij het niet van hebben. Hij kan knap angstig en onzeker zijn over zichzelf en beschikt niet over een enorme welsprekendheid[17], kon behoorlijk ziek zijn en er dan zeer kwetsbaar uitzien[18]
Waar hij bezig is zichzelf op te pompen – Saulus, kleine man, genoemd naar de grote koning Saul, die overigens ook erg onzeker was!!! – , waar zijn carrière een vlucht neemt omdat hij wordt uitgezonden om volgelingen van “de weg van Jezus” te vervolgen, dáár komt hij in een diepe crisis terecht. Het concept van geloven van “de weg van Jezus” staat haaks op dat van dat van Saulus/Paulus en het Farizeïsch jodendom uit zijn dagen. In feite: het staat haaks op elk systeem van “sarks”: jezelf en anderen beoordelen op grond van uiterlijke of innerlijke (morele superioriteit of inferioriteit , jezelf beter vinden of minder dan een ander) maatstaven.
Het is het wereldvreemde (en tegelijkertijd wereldreddende, ja ik ben fan!) concept van dat God in Jezus laat zien, dat Hij van mensen houdt omdat Hij van ze houdt. Het Griekse woord dat het Nieuwe Testament ervoor gebruikt is “agapè”. Het is een liefde die los staat van onze menselijke (wan)prestaties. Omdat dat zó sterk is, die liefde, heeft dat ook een totaal grens doorbrekend effect. Alle groepjes/indelingen worden door die liefde doorbroken: Grieken, Joden, man/vrouw, slaaf of vrijen, ze zijn één in Christus.[19] In onze ogen klinkt dat wellicht als “wat zou dat nou?”, in die tijd is het de wereld op z’n kop, revolutionair: rang en stand doorbrekend. Het is niet voor niets dat Paulus regelmatig spreekt over een “nieuw verbond” tussen God en mens. Het Grieks kent twee woorden voor “nieuw”: neos (een totaal nieuw ding als er bestond nog geen auto en toen vond iemand die uit als iets nieuws) én kainos. Dat laatste is: vernieuwd, hersteld. Dus: nog steeds een verbond/relatie tussen de God van Israël, maar die God van Israël gooit het over een andere boeg en gaat de relatie aan op vernieuwde voorwaarden: geen voorwaarden, alleen maar liefde in Christus die mensen voor die liefde wil winnen: vertrouwen (geloof!)[20] winnen.[21] De rechtvaardige – die God recht in de ogen kan kijken – zal leven, bevrijd! Omdat h/zij vertrouwt dat er van hem/haar wordt gehouden. Maar dat is een hele toer voor God om mensen zo ver te krijgen dat ze Hem durven te vertrouwen. Precies dát is wat God lukt met Saulus!
Crisis en gewonnen vertrouwen; de manege achterhaalt het paard…..
Als Saulus onderweg is naar Damascus overvalt hem het meest bizarre dat hij niet verwacht en waar hij ook eigenlijk helemaal niet op zit te wachten. Integendeel. Het zet zijn leven zodanig op de kop, dat hij zegt: sinds ik in Christus ben, ben ik een nieuwe schepping, een totaal ander mens.[22] En de diep ingrijpende ervaring vormt de basis onder zijn nieuwe manier van leven én de basis van wat hij schrijft in zijn brieven. Laat me dat proberen in een aantal punten zo concreet mogelijk te maken. Eigenlijk is dat “in punten” jammer: het doet onrecht aan het leven veranderend gebeuren dat hem “van boven” overkomt. Alsof het schematisch is weer te geven. Voor de helderheid probeer ik het toch op die manier:
In 2 Korinthe 5 formuleert hij het zo: Daarom ook is iemand die één met Christus is, een nieuwe schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen. 18Dit alles is het werk van God. Hij heeft ons door Christus met zich verzoend en ons de taak gegeven dat bekend te maken. 19Inderdaad, God heeft in Christus de wereld met zich verzoend: Hij heeft de wereld haar overtredingen niet aangerekend. En ons heeft Hij de verkondiging van de verzoening toevertrouwd.
[1] Je vindt die gedachtegang die eeuwenlang de Gereformeerde Traditie heeft gestempeld sterk verwoord in de Heidelbergse Catechismus, Zondag 5
[2] Matth 21:37
[3] 1 Johannes 4:7
[4] 2 Korinthe 5:19
[5] 1 Samuël 9:2
[6] Handelingen van Paulus en Thekla, ca 150 na Christus
[7] Romeinen 5:1
[8] Er wordt nergens in de bijbel verteld waarom hij zichzelf Paulus gaat noemen. Er zijn diverse theorieën. Als Jood én als staatsburger zou hij twee namen hebben (Joodse naam: Saulus, Romeinse naam: Paulus). Een andere reden is dat Saulus in het Grieks “verwijfd” betekent en hij daarom die naam niet gebruikt. Ik houd het ervoor dat het te maken heeft dat het een illustratie is van zijn verandering. Zie daarvoor o.a. Filippenzen 3:1-9
[9] Genesis 3:5
[10] Hij stamt zelf uit een geslacht van Farizeeërs, Handelingen 23:6
[11] Flavius Josephus, ca. 37-100, schrijver van o.a. de Joodse oorlog
[12] Filippenzen 3: 3-6
[13] Handelingen 5:33-40
[14] Handelingen 7:53
[15] Romeinen 13:8-10
[16] Romeinen 7:7-9
[17] 1 Korinthe 2:1-5;
[18] Galaten 4:14
[19] Galaten 3:25-28
[20] Het Griekse woord is “pistis”.
[21] Het voert in dit verband wat ver, maar Paulus betoogt dat de basis onder dit verbond in Christus ten diepste de bedoeling is geweest van God. Je kunt de relatie definiëren op basis van “voor wat hoort wat: je moet je houden aan de bedoelingen van de wet”, maar dat is in de ogen van Paulus secundair met het oog op wat zijn eigen Joodse traditie met wie hij zich blijvend verbonden voelt ervan maakt. De primaire relatie van God met Abraham is er op grond van “het vertrouwen in de goedheid van God”. Later wordt dat op basis van Mozes en de wet: je moet je aan de geboden houden”. Met de komst van Christus én de wijze waarop Hij het verbond invult wordt dus het oorspronkelijke hersteld. Zie daarvoor Galaten 3:1-4:14
[22] 2 kor 5:17 bijv. Ook daar gebruikt Paulus dat woordje “kainos”. Ver-nieuwd dus.
[23] Kolossenzen 1:19
[24] Theologen hebben zo’n Godservaring een mysterium tremendum et fascinans genoemd: een ervaring uit een andere dimensie – die van God – die je tot op je botten doet trillen en die je nooit meer vergeet. Het bepaalt het leven van Mozes – die dienaar wordt – ; het bepaalt het leven van Saulus die dienaar wordt. Beiden zitten er niet op te wachten. Beiden gaan wél.
[25] Exodus 3:
[26] Zie: Handelingen 9:1-19, Handelingen 22:6-21; Handelingen 26:12-18
[27] Dit is eigenlijk gewoon: de rode draad in het Nieuwe Testament. De Zoon des Mensen is gekomen om het verlorene te ZOEKEN (actief) én te vinden). Lucas 19:10. Uiteraard zijn er mensen die op zoek gaan naar Jezus, maar in strikte zin (zie Lucas 2!) is de beweging omgekeerd: Jezus komt naar de wereld toe om het verlorene te zoeken.
[28] Romeinen 7:19
[29] Filippenzen 3:1-9
[30] 1 Korinthe 15:10
[31] In ingewikkelde taal schrijft hij dit bijv. op in Romeinen 5:6-11. Het is opvallend hoe bijvoorbeeld “zelfinzicht (ook met je fouten!)” wordt opgewekt door een niet veroordelende houding. Romeinen 2:4. Fantastische zin
[32] In 1 Johannes 4:7-21 vind je hetzelfde uitgewerkt.