Knooi’n is een mooi woord uit het dialect. Er zit veel in. Aan de ene kant iets ontspannens: knutselen. Mijn schoonvader was er een meester in, eindeloos in zijn schuurtje aan het prutsen. En soms kwam er iets geweldig moois uit. Maar prutsen en verprutsen liggen in elkaars verlengde. Soms ging het ook finaal mis en sloeg hij zich op zijn duim, verknooide hij waar hij mee bezig was. Het is net het leven zelf….. We knooi’n wat af als mensen. In deze rubriek gaat het daar telkens opnieuw over
Onlangs was Thijmen – onze kleinzoon – jarig. Acht werd hij! Het is een heerlijk joch, goed in z’n vel en helemaal een kind van 8. Niet ouder, niet jonger.
Omdat zijn verjaardag vlak voor de zomervakantie valt is z’n kinderfeestje na de vakantie. Dus moest hij het nu doen met opa’s en oma’s en ooms en tantes – met wat neefjes en nichtjes – van beide kanten. Dat heeft dus ook voordelen, want daar krijg je doorgaans de grootste cadeaus van én ze vermaken zichzelf op jouw verjaardag met grote mensenpraat, kaas, worst en 0.0 bier.
Thijmen is helemaal – met z’n broer en broertje – into minecraft. Gerda en ik – oma en opa- zochten op wat het was, minecraft, want we hadden echt geen flauw idee! Zeg maar een twee-generatiekloofje…. Alle familieleden en pa en moe kochten geheel op Thijmens wens minecraft spullen van Lego. Stralen en nog eens stralen, dat mannetje! Terwijl wij ons een paar uur met elkaar, koffie, taart en genoemde worst vermaken, gaat Thijmen totaal op in z’n Lego, zijn nieuwe schatten! Spelen, spelen en spelen! Als een kind aan het strand verloren én opgaand in z’n spel.
Gemiddeld worden mannen ca. 80. Hij heeft dus 1×8 – want hij kent zijn tafels – erop zitten! Nog 9×8 te gaan en ik hoop voor hem met veel geluk en nog lang zo onbevangen als nu.
Als ik 8 ben, ben ik ook gék op Lego (en op buitenspelen, het is rond 1970, de tijd van Cruijff en in mijn fantasie ben ik hem!). Er is in die dagen nog geen minecraft, maar wel een nieuwe serie van Lego-auto’s! Je kunt ze zelf sturen, deurtjes die je open en dicht kunt doen! Een vrachtauto met kieper, een takelauto en zo nog een paar. Ik spaar ze allemaal en de allermooiste in mijn ogen is de rode brandweerauto: 6,75 gulden!! Ik weet nog hoe ik het ding ophaal bij de speelgoedzaak in Baarn, het geld uittel op de toonbank en dan mag hij meer naar huis!!!! In elkaar zetten volgens de bouwtekening – net als Thijmen met Minecraft – en spelen maar! Met vriendjes, zonder vriendjes, eindeloos spelen!
Als ik omkijk naar hoe ik was toen ik 8 wás en hij het nu ís is die fase van de basisschool – mits je thuissituatie wat stabiel en veilig is – heerlijk onschuldig en onbevangen: je draagt geen verantwoordelijkheid (nou ja, afwassen, kat eten geven), hebt nog weinig idee van hoe complex de wereld in elkaar zit (laat alsjeblieft een kind nog niet al teveel weten van honger, aardbeving enz., enz. Ze kunnen er weinig mee, behalve flessen inzamelen en statiegeld aan de slachtoffers van alweer een of andere ramp geven). En je hebt nog geen huiswerk! Alles is nieuw. Met een vriendje ga ik naar het Dolfinarium en ik kijk mijn ogen uit en zie nog lekker even niet dat het voor zo’n dolfijn misschien wel zielig is, zo’n klein zwembadje. Laat Thijmen en alle kinderen dit zo lang mogelijk zo mogen houden! Heerlijke onschuld!
Inmiddels ben ik 64. Dat is 8×8. Nog 2×8 te gaan tot aan de 80. Toen Thijmen een tijd geleden een tijd geleden aan Gerda vroeg hoe oud ze was en ze “65”antwoordde, was Thijmen stil. Lang stil, totdat hij mompelde: “dat is oud…., heel oud”. Hij heeft wel een soort van gelijk: oud! Heel oud nog niet, al is dat natuurlijk vanuit zíjn perspectief (1×8) wél het geval.
Als ik 8 ben zie ik het leven als een lange lopende band. Ik sta lekker achteraan, veilig ook! Een eind verderop staan mijn vader en moeder. En daar nog weer een eind verder weg 4 opa’s en oma’s. Aan het einde van de band is er zoiets als “dan kukel je eraf” en dan “ga je naar de hemel”. Want zo vertellen mijn ouders dat. Maar het leven is dus niet altijd zo mooi overzichtelijk: mijn vader valt eerder van de band op zijn 55e (bijna 7×8) dan 3 van mijn opa’s en oma. Eén opa haalt 12×8! Maar nu staat er niemand meer voor Gerda en mij op de band en hoop ik dat nu wij vooraan staan we er nog zo’n 2×8 op blijven en dat er voor die tijd niemand achter ons afkukelt. Dat zou een ramp zijn. Maar niets is zeker. Ook niet dat wij er nog 2×8 (of zoals die opa nog 4×8) op blijven.
Achtendertig jaar (bijna 5×8) heb ik mogen werken als predikant. De werkende periode is dus écht een heel andere die van Thijmen nu. Ik kom dan veel in aanraking met leed – kanker, depressie, scheiding, dood, zelfdoding, ca. 400 uitvaarten om maar eens wat ingrijpende dingen te noemen – . En al die tijd is het een zinvolle taak én gek genoeg ook vreugdevol om inspirerende en troostvolle woorden van God te mogen doorgeven. In een kerk, samen met anderen! (onderschat nooit gemeenteleden, zij zijn de kurk waarop de Geest en de kerk drijven!).
En nu 8×8 jaren oud hoeft dat niet meer. Kan ik het ook niet meer. Covid heeft een deel van mijn energie meegenomen en na die tijd ben ik niet meer de oude geworden. Dat heb ik wel geprobeerd. Met terugwerkende kracht zie ik hoe ik heb geprobeerd harder mijn best te doen om te compenseren wat niet te compenseren viel. Totdat dat dus niet meer ging. En het een mix van opluchting en verdriet – de opluchting gaat steeds meer overheersen, mijn glas wordt halfvoller, want ik heb veel vrede met wat er wél in zit – is die mij in een nieuwe fase brengen. En natuurlijk, Thijmen heeft gelijk: 64 is ook al heel oud. Ook dat speelt mee.
Elke fase heeft z’n eigen kleuren, vragen, mogelijkheden en beperkingen. De levenskunst is, denk ik, om voluit in je eigen levensfase te doen wat nú bij deze levensfase past. Wat Thijmen zo goed kan als 8 jarige is nu voor mij de opdracht als 8×8 jarige. Maar hoe verschillend die fases ook zijn in de tijd, er zijn óók overeenkomsten.
Opeens hoef je namelijk niks meer. Bij mijn afscheid kreeg ik een vergulde mestvork met een tandje eraf: het mag een tandje minder! Ik herken me wat in die oudste jongen in die gelijkenis van de vader met de twee zonen.[1] Iets te overijverig, alsof het bedrijf van pa van hem is. Altijd op het land aan het werk, omdat er altijd wel wat te wieden valt en eigenlijk geen tijd (hij néémt het er niet van!) om te genieten. Niet in staat om op te gaan en onder te gaan in het moment zélf zoals Thijmen met de Lego. Op vakantie me afvragen hoe het toch met dat ene gemeentelid is (en dat andere….). Het hóeft dus niet meer en ik ga weer iets begrijpen van de vrolijkheid van het feest van die Vader met z’n jongste zoon. Vreugde om het leven zélf – ook al is er veel onaf, kapot, verdriet, is het nooit helemaal goed. Dat is wél een verschil met Thijmen. Je bent al heel lang de onschuld voorbij. Desalniettemin, of juist: de vreugde! Omdat je (ik dus ook!) als mens veel meer een kind van God bent dan z’n medewerker. En Hij de eigenaar is van het bedrijf en ik 80 jaar of zoiets hier ronddool.
Deze fase heeft weer iets van de 8 jarige: natuurlijk moet een 8 jarige naar school, maar hij heeft géén huiswerk, lange vakanties, kan iedere dag spelen en heeft geen maatschappelijke taken waarmee hij de samenleving draaiend moet houden. Spelen, onbevangen, leven! Ik denk dat het niet helemaal voor niets is dat Jezus tegen grote mensen zegt dat ze moeten worden als kinderen en als je dát lukt, gegeven wordt, je iets van het Koninkrijk van God binnengaat. Bekering vraagt het. Ander gedrag, andere instelling. Er waren collega’s en ze zijn er nog die dat écht beter konden dan ik. Verantwoord met hun werk omgaan én het ook prima los kunnen laten. Blijkbaar kan ik het alleen door er noodgedwongen mee te mogen/moeten stoppen. Is die corona op een bepaalde manier een blessing in disguise. Hoe krijgen we Wim tot rust?
Dus is deze fase er één van weinig hoeven en veel mogen. Op maandagmorgen tennissen in plaats van een preek maken. Even wennen om dat zonder schuldgevoel te doen en het “Thijmengevoel” te pakken. Of, het oude Wimgevoel, die als 17 jarige helemaal kan opgaan in tennis. Of een toernooitje met zoon Jan-Anne te spelen en mezelf als enorm bevoorrecht te ervaren, dat ik dat nog kan doen als 64 jarige met de ruim 4×8 jarige Jan-Anne. Of de Trouwpuzzel als belangrijke taak bij de morgenkoffie met Gerda. Speelser dus. Want voorheen had ik weinig rust in mijn lijf om lang koffie te drinken.
En zomaar de tijd te hebben om de tuin te doen en op de leliën en andere bloemen te letten en ervan te genieten in plaats van te denken “die rottuin moet ook nog!” In meer rust te kunnen bidden i.p.v. dat het een soort werkoverleg was met de grote Baas. Innerlijke rust als die van Maria in plaats van Martha te spelen die zichzelf voorbij stresst in het vele dienen van de Heer.[2] Ik denk altijd dat Martha en die oudste jongen uit de gelijkenis broertje en zusje zijn uit hetzelfde ijverige hout gesneden. Vaak op zondag op de galerij in de Höftekerk bij God onder de pannen zitten als de mussen in psalm 84 samen met andere mensen waar ik normaal voorstond op de preekstoel en nu tussen hen in zit.
Naarmate de vreugde en de rust groeien ontstaat er ook weer gaandeweg iets van “waar heb ik zininin om te gaan doen waar anderen óók wat aan hebben?” Maar wel vanuit de “ruststand”, zoals de Duitsers dat pensioen zo raak noemen. Thijmen 2.0. De rode brandweerauto is nu een tennisracket en een fotocamera. Ik leer erin op- en ondergaan, spelenderwijs.
[1] Lucas 15:11-32
[2] Lucas 10:38-42. Dat hele verhaal gaat m.i. om het eerste gebod en hoe heilzaam dat is. God liefhebben je laten liefhebben als fundament. Het verhaal ervoor – de barmhartige samaritaan – gaat over het tweede gebod: jezelf en de ander vv liefhebben. Zo legt Lucas in twee verhalen het dubbelgebod uit, waar Mattheüs en Marcus het gewoon “op formule zetten”. Ik vind die verhalen mooier, omdat ze over het leven van alle dag gaan en hoe je dáár God liefhebt, je naaste en jezelf.